Synoniemen van gans

volkomen, geheel, helemaal, heel, in elk opzicht
2019-10-16

gans

In de uitdrukking ‘een gans aan een touwtje’: de bijna-zekerheid een (kleine) positieve score te behalen door te passen op een (verkeerd) eindbod van de tegenpartij. Soms ontsnapt deze gans door een doublet, dat de tegenpartij de kans geeft naar een beter contract te lopen.

2019-10-16

gans

Watervogelsoort en komt in diverse soorten en grootten voor. Ganzenvlees krijgt steeds meer aftrek, omdat het vlees fijn, zacht en smakelijk is. Consumptieganzen zijn het geschiktst met een slachtgewicht van ca. 6 kg. Hij komt zowel gefokt als in het wild voor.

2019-10-16

gans

gans - Zelfstandignaamwoord 1. (vogels) Anserinae, een vogel die tot de familie van de eendachtigen (Anatidae) behoort gans - Bijvoeglijk naamwoord 1. helemaal, heel In een blauw geruite kiel<br>Draaide hij aan 't grote wiel<br>De ga-a-a-anse dag<br>Maar Michieltjes jongens hart<br>Leed ondragelijke smart<br>Ach-ach, ach-ach, ach-ach, ach-ach! Antoniemen ongans ?? Verwante begri...

2019-10-16

gans

gans - zelfstandig naamwoord 1. grote zwemvogel, familie van de eend ♢ in de winter gaan de ganzen naar het zuiden 1. dom gansje [dom meisje] Zelfstandig naamwoord: gans de gans de ganzen het gansje

2019-10-16

Gans

Gans (De) behoort tot de klasse der Vogels (Aves), de orde der Zwemvogels (Natatores), de familie der Eendachtigen (Anatinae, Lamelloso-dentatae) en tot het geslacht der Ganzen (Anseres). Zij onderscheidt zich door een middelmatig langen hals en middelmatig lange beenen, ovale, ver naar voren geplaatste neusgaten, en onvolkomene, als stompe, kegelvormige tanden uitpuilende plaatjes aan de randen van den snavel. De grijze of milde gans (A. cinereus Meyer), die des zomers in het midden en in het n...

2019-10-16

Gans

Gans - Anser, een geslacht der ganzen, waartoe in ons land voorkomen de wilde gans, de kolgans, de dwerggans, de rietgans, de akkergans en de kleine rietgans .

2019-10-16

Gans

Gans - zie de Koning Gans

2019-10-16

Gans

Gans - ➝ Gansachtigen; Ganzen.