Wat is de betekenis van fris?

2020
2021-04-11
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

fris

1) (1967) (inf.) frisdrank. Zie ook frisje*. • Vóór Hotel de France, mét de Italianen en mét Jan Janssen is het geen volksoploop. Janssen kan ongestoord beneden in het café een glaasje fris drinken. (Het Parool, 11/07/1967) • Fris: limonade. (Piet Grijs: Blijf met je fikken van de luizepoten...

Lees verder
2019
2021-04-11
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

fris

fris - Bijvoeglijk naamwoord 1. zojuist schoongemaakt, prettig ruikend De badkamer is weer helemaal fris. 2. ironisch: weinig te vertrouwen Frisse jongens zijn dat! 3. ~ weer: aan de koude kant Het is e...

Lees verder
2018
2021-04-11
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

fris

fris - zelfstandig naamwoord 1. drankje zonder alcohol ♢ wil je ook een glaasje fris? Zelfstandig naamwoord: fris het fris het frisje

Lees verder
2005
2021-04-11
Harold Hamersma

wijnbegrippen in gewone mensentaal

fris

Veelal witte wijn. In geur, maar vooral ook in smaak. Wordt veroorzaakt door de aanwezige zuren in de wijn. Te fris betekent niet 'te zuur’, maar komt doordat de fles wit te lang in de ijskast heeft gestaan. Niet goed, want kou verdooft de smaakpapillen en dan valt er minder te proeven.

Lees verder
1998
2021-04-11
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Fris

van de -se proost. Eigenlijk ‘ik wens je een frisse morgen’, maar ook gebruikt wan-neer het niet om een ochtenddronk gaat. Volgens Gillissen en Olden tegenw. vooral gangbaar onder Utrechtse studenten. Nou, de frisse. Daar ga je. (Piet Bakker: De Slag, 1951) ... maar zie: met een glaasje aan de lippen kwam dat vanzelf. Zo vulde ik het volgende gede...

Lees verder
1973
2021-04-11
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

fris

bn. en bw. (frisser, -t of meest fris), 1) in het uiterlijk geen sporen van verval of ongezondheid vertonend, een aangename indruk makend door welvarendheid gepaard met levenslust: een gezicht; een frisse meid; uit de ogen zien; (subjectief) zich voelen; 2) geen vermoeidheid gevoelend of tonend: zo — als een hoentje; met frisse moed weer aan...

Lees verder
1952
2021-04-11
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Fris

adj., fris; (van het weer), koel, labberich, labbertsjes; nietmeer zijn (na reis of feest), forsutere wêze.

1933
2021-04-11
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Fris

Fris - Victor, Belg. historicus; * 1877 te Geeraardsbergen, ✝ 1925 te Gent. Hij was docent in de geschiedenis aan de staatshoogeschool te Gent. Werken: Histoire de Gand (Brussel 1913); Bibliographie de l'histoire de Gand (2 dln. Gent 1907-’13); talrijke critische monogr. over de bronnen der gesch. van Vlaanderen, met name over Meyerus en...

Lees verder