Wat is de betekenis van formaat?

2019
2021-01-23
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

formaat

formaat - Zelfstandignaamwoord 1. grootte Het formaat van de posters. 2. (informatica) vorm van een bestand Een publicatie in PDF-formaat. Woordherkomst afgeleid van formeren met het achtervoegsel -aat Synoniemen [1] afmeting,...

Lees verder
2018
2021-01-23
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

formaat

formaat - zelfstandig naamwoord uitspraak: for-maat 1. hoe lang, breed of hoog het is ♢ wat is het formaat van die doos? 1. een sporter van formaat [een groot sporter] Zelfstandig na...

Lees verder
1993
2021-01-23
Vreemd Nederlands

Vreemd Nederlands

Formaat

grootte en vorm

1990
2021-01-23
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

formaat

formaat - In het algemeen de vorm, grootte of ordening van een object of een groep objecten. Kan ook in specifieke zin verwijzen naar een standaardvorm, -grootte of -configuratie, of naar een bepaalde rangschikking van objecten, boeken, data enzovoort. Er kan overlapping optreden tussen formaataanduidingen en aanduidingen van standaardgrootte.

1987
2021-01-23
Reclame woordenboek

Frans van Lier - 1987

Formaat

Grootte van bijvoorbeeld een advertentie, een affiche of een persmedium. Advertentieformaten worden uitgedrukt in vakken (zie vakkentarief) of in mm {zie mm-tarief).

1973
2021-01-23
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

formaat

[Lat.], o. (-maten), 1. grootte als vorm, geheel van door de vorm bepaalde afmetingen; in het bijzonder van papier, boeken en schilderijen met betrekking tot hoogte en breedte, en van bouwmaterialen: kleine formaten worden thans veel meer gebruikt dan vroeger; (oneig.) een staatsman van groot —, die van een groot figuur is; vandaar ook pregna...

Lees verder
1950
2021-01-23
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Formaat

(<Lat.), o. (...maten), 1. grootte als vorm, geheel van door de vorm bepaalde afmetingen ; in ’t bijz. van papier, boeken en schilderijen met betr. tot hoogte en breedte en van bouwmaterialen: kleine formaten worden thans veel meer gebruikt dan vroeger; — (oneig.) een staatsman van groot formaat, die een grote figuur is...

Lees verder
1948
2021-01-23
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

formaat

o. grootte en vorm (inz. van een boek).

1933
2021-01-23
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Formaat

Formaat - 1° De grootte van zetsel in de lengte en breedte; 2° Bepaalde grootte en indeeling van een drukvorm; 3° Grootte van devsch.papiersoorten. Ronner Reeds vrij lang wordt er naar gestreefd het gebruik van zgn. normaal-papierformaten te bevorderen. In Nederland werd daartoe op 25 Sept. 1917 een Rijkscommissie in het leven geroepe...

Lees verder
1916
2021-01-23
Technisch woordenboek

H.J. van Eyk

Formaat

Grootte en vorm inzonderheid van een boek.

1914
2021-01-23
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

formaat

formaat, - o. grootte en vorm, inzonderheid van een boek.

1910
2021-01-23
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Formaat

Formaat - grootte, vorm, afmeting van papier. Het formaat van een boek werd vroeger bepaald door het getal bladzijden druks, dat uit een vel ging, onafhankelijk van de grootte daarvan. Sedert de machine drukpapier van allerlei afmetingen levert is men meer gewoon bij de aanduiding van het formaat minder aan het aantal bladzijden van het vel te denk...

Lees verder
1898
2021-01-23
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Formaat

FORMAAT, o. (...maten), vorm, hoogte en breedte (inz. van papier en boeken); (boekh.) zakformaat, geschikt om in den zak te dragen; — (boekdr.) het samenstel van wit dat in den vorm de pagina’s scheidt.

Lees verder