Wat is de betekenis van Fit?

2019
2021-05-15
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

fit

fit - Bijvoeglijk naamwoord 1. in goede lichamelijke conditie Hij loopt dagelijks hard om fit te zijn voor de wedstrijd. Na haar genezing voelde ze zich weer fit. fit - Zelfstandignaamwoord 1. (techniek) meethaak met een vaste e...

Lees verder
2018
2021-05-15
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

fit

fit - bijvoeglijk naamwoord 1. wie zich fris, gezond en krachtig voelt ♢ na een rondje hardlopen voel ik me weer heerlijk fit Bijvoeglijk naamwoord: fit ... is fitter dan ... het fitst ...

Lees verder
2011
2021-05-15
Basisboek Online Marketing

Basisboek Online Marketing

Fit

Interne consistentie van de componenten van het businessmodel.

1998
2021-05-15
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

fit

1. Gezamenlijk bezit van een partnership in een kleur. 2. Gezamenlijk bezit van minimaal zeven kaarten in een kleur (bv. een vier-vier fit of een zes-vijf fit). In ruime zin wordt al of niet ironisch ook wel gesproken van bijvoorbeeld een vier-twee fit of een drie-nul fit. 3. Bezit van een zodanig aantal kaarten in een door partner geboden kleur da...

Lees verder
1994
2021-05-15
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Fit

[Eng. = eig.: gepast voor; woord stamt reeds uit 1440, afleiding onzeker] in goede lichaamsconditie.

1993
2021-05-15
Vreemd Nederlands

Vreemd Nederlands

Fit

in goede conditie

1971
2021-05-15
Watersport A-Z

Watersport A-Z, Kramer (1971)

Fit

Fit - ook splitshoorn of marlspijker, kegelvormige houten priem die wordt gebruikt om bij het splitsen van zwaar touw de kardelen op te lichten.

1955
2021-05-15
vreemd

Vreemde woordenboek

Fit

in orde, in goede conditie

1950
2021-05-15
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Fit

I. m. (-ten), 1. fithaak; 2. (zeew.) kegelvormige houten priem, gebruikt bij het splitsen van zware henneptrossen; 3. (volkst.) steek, stekelige opmerking. II. (Eng.), bn., zich fris en gezond voelend, in het volle bezit zijner krachten: ik voel me nog niet helemaal fit; fit blijven.

Lees verder
1949
2021-05-15
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Fit

(Eng,), in goede conditie, vnl. bij sport.

1948
2021-05-15
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

fit

(Eng.) klaar, in goede conditie (voor een wedstrijd).

1937
2021-05-15
Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Fit

Een fit is een werktuig om te fitten, dat is meten door omvatten. Een fit of fithaak bestaat uit een recht ijzer met een vasten en een verschuifbaren haak, waartusschen het te meten voorwerp gevat wordt. De dikte kan dan op een verdeeling op het ijzer worden afgelezen. Met een diktepasser bereikt men men hetzelfde.In den houthandel spreekt men van...

Lees verder
1916
2021-05-15
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Fit

Fit - 1) een tapsche stalen pen, gebruikt voor het maken van gaten en motten in zeilen van schepen; 2) een toestel gebruikt bij het dokken van schepen, waarvan de kiel niet recht is; het bestaat uit een horizontale lat, die bezwaard is, om het toestel vertikaal in het water te kunnen houden en twee opstaande latten met verdeeling op de einden van d...

Lees verder