Wat is de betekenis van Fietsen?

2020
2021-01-27
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

fietsen

1) (1906) (Barg.) handen; benen. • (Köster Henke: De boeventaal. 1906) • Hei je kouwe fietse? ... spotte kwasi-meelijdend Neel. (Is. Querido: De Jordaan. 1912) • Fietsen, (Barg.) handen; ook: benen. (Fokko Bos: De vreemde woorden. Derde druk. 1955) • (Justus van de Kamp & Jacob van der Wijk: Koosjer Nederl...

Lees verder
2019
2021-01-27
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

fietsen

fietsen - Werkwoord 1. op een fiets rijden Zij fietst zo naar de markt. fietsen - Zelfstandignaamwoord 1. meervoud van het zelfstandig naamwoord fiets Woordherkomst Afgeleid van fiets met het achtervoegsel -en Verwante begrippen fiets, fietser, cyclisme

Lees verder
2018
2021-01-27
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

fietsen

fietsen - regelmatig werkwoord uitspraak: fiet-sen 1. rijden op een fiets ♢ hij fietste van Amsterdam naar Utrecht 1. ga toch fietsen! [ga weg!; hou op!] Regelmatig werkwoord: ...

Lees verder
2017
2021-01-27
Zendamateurs

Jargon & Slang van Zendamateurs

Fietsen

Fietsen - afstellen; een vrij kanaaltje zoeken.

2014
2021-01-27
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

fietsen

geslachtsgemeenschap hebben: ENDT.

2009
2021-01-27
Wielersportwoordenboek

Wielersportwoordenboek door Jan Luitzen ©

fietsen

(onov ww; fietste; h. en is gefietst) 1 - op de fiets rijden: dat (die) is fietsen, met de noorderzon vertrokken, verdwenen, weg, zoek; joh, ga fietsen, wegwezen, ophoepelen; met losse handen, zonder handen fietsen, fietsen zonder de handen te gebruiken, bv. om te eten tijdens een wedstrijd of op een eenwieler. • Te land, ter zee en in de lucht is...

Lees verder
2004
2021-01-27
Woordenboek van Eufemismen

Marc De Coster

fietsen

Bargoense term voor copuleren. Vanwege de op- en neergaande beweging van de benen. Volgens het WNT (1916): ‘eene vrouw beslapen. In zeer platte taal (straatliederen)’. Fiets als metafoor voor de copulatie ook in de uitdrukking: ‘op een ouwe fiets leer je het best’: vrijen leer je het best bij een oudere, rijpere vrouw. En als het fietsen is gedaan...

Lees verder
2003
2021-01-27
Marga Schiet

MOM's lexicon van de opvoedmisstanden

Fietsen

Kinderen die goed kunnen fietsen, kun je alleen op de fiets laten gaan. Was dat maar waar. De meeste kinderen kun je pas met een jaar of elf alleen op de fiets laten gaan. Want om alleen op de fiets naar school te kunnen, moet een kind eerst nog veel meer kunnen dan goed kunnen fietsen. Hij moet zijn fiets goed onder controle kunnen houden en hij m...

Lees verder
1998
2021-01-27
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Fietsen

1. weg, verdwenen: dat is fietsen;ook van personen: die is fietsen.Slanguitdr., wellicht ontstaan tijdens de bezettingstijd. 2. daar is/valt mee te-,daar heb je iets aan; daar valt iets mee aan te vangen. Modieuze uitdr., vooral geliefd bij journalisten en politici. Met CDA of VVD is wel te fietsen: een beetje evenwicht herstellen. (De Volkskrant,...

Lees verder
1997
2021-01-27
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

fietsen

In ons materiaal komt de verwensing ga nou gauw fietsen! voor. In geval van boosheid, ongeloof, verontwaardiging, frustratie en irritatie wordt zij schertsend gebruikt. De betekenis is ‘kom nou’. In Vlaanderen gebruikt men loopt fietsen!, met de emotionele betekenis ‘ik walg van je, maak dat je wegkomt’.zie fie...

Lees verder
1977
2021-01-27
Erotisch woordenboek

Geschreven door Hans Heestermans (1977)

fietsen

fietsen - copuleren; wrsch. naar de op- en neergaande beweging (van de benen). En als het fietsen is gedaan, Dan moet het meisje in de kraam. Boeventaal 16 [1906].

Lees verder
1973
2021-01-27
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

fietsen

(fietste, heeft en is gefietst), 1. op de fiets rijden: Lies fietste over de Breestraat; 2. zich per fiets begeven: wij zijn naar het dorp gefietst; 3. gebruik maken van een fiets: zij fietst niet; 4. de genoemde hoedanigheid hebben met betrekking tot het fietsen: die weg fietst lekker.

Lees verder
1950
2021-01-27
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Fietsen

(fietste, heeft en is gefietst), 1. op de fiets rijden: ik fietste over de Breestraat; 2. zich per fiets begeven: ioij zijn naar Den Haag gefietst; 3. gebruik maken van een fiets: zij fietst niet; 4. de genoemde hoedanigheid hebben met betr. tot liet fietsen : die weg fietst lekker; 5. (dievent.) coïre.

Lees verder
1949
2021-01-27
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

fietsen

handen, ook wel benen. Daar zag ik Frans met paternosters om ze fietsen. Hij had z’n keesje in z’n linkerfiets gespuwd.

Lees verder
1928
2021-01-27
Wat is dat?

Wat is dat? Encyclopedie voor jongeren (1938).

Fietsen

Er is geen land ter wereld, waar de fiets zo populair is als bij ons. De meesten van ons zijn als ’t ware aan de fiets vastgegroeid en we kunnen ’t haast niet over ons hart verkrijgen, als we even aan den overkant van de straat een boodschap moeten doen, om lopende te gaan. We grijpen vlug de fiets en springen erop!Het fietsen zit ons H...

Lees verder
1914
2021-01-27
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

fietsen

fietsen, - mv., (argot) handen; ook: beenen.

1900
2021-01-27
Collectie Nederland

Collectie Nederland: Musea, Monumenten en Archeologie

fietsen

Een fiets is een voertuig dat door spierkracht wordt aangedreven. De snelheid kan variëren aangezien de gebruiker zelf kan bepalen hoeveel energie hij/zij in het aandrijven steekt. De hedendaagse fiets bestaat uit ten minste twee wielen, een frame, een zadel, een stuur en een trapas met pedalen. Sommige fietsen hebben een (hulp)motor. Fietsen...

Lees verder
1898
2021-01-27
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Fietsen

FIETSEN, (fietste, heeft en is gefietst), op de fiets rijden. FIETSER, m. (-s): FIETSSTER, v. (-s).