Wat is de betekenis van Feest?

2019
2022-01-24
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

feest

feest - Zelfstandignaamwoord 1. een vermakelijke en vreugdevolle sociale gelegenheid Ondanks het feit dat Nederland de finale tegen Spanje verloren had, was het bij de huldiging één groot feest. 2. een excuus om je schaamteloos vol te vreten feest - Werkwoord 1. enkelvoud te...

Lees verder
2018
2022-01-24
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

feest

feest - zelfstandig naamwoord 1. plechtige of vrolijke viering van iets ♢ Sinterklaas vind ik een gezellig feest 2. bijeenkomst van mensen die iets vieren ♢ Arie en Marie hebben een feest georganiseerd...

Lees verder
1977
2022-01-24
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

feest

feest - eufem. voor menstruatie. Zie o.a. één mei. In de verb. ‘n feestje met jezelf bouwen, masturberen

Lees verder
1973
2022-01-24
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

feest

o. (-en), 1. viering met vreugde en plechtigheid van een gedenkdag: het — van Driekoningen; het kerstfeest; nationale feesten; 2. bijeenkomst en samenzijn ter viering van een heuglijk feit: kom je ook op het — ?; 3. aanleiding tot vreugde, iets zeer plezierigs, genot: het is een waar — voor mij, u te zien. In de oude godsdienst...

Lees verder
1955
2022-01-24
Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

FEEST

licht de gemeenschap even uit boven het alledaagse en het puur nuttige. De tijd van de klok met haar vlakke eenvormigheid wordt van haar heerschappij onttroond om plaats te maken voor een oorspronkelijker beleven, dat de tijden weet te onderscheiden. In het primitieve en antieke denken waren het de kosmische wisselingen, welker kritieke punten telk...

Lees verder
1952
2022-01-24
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Feest

s.n., feest (it).

1950
2022-01-24
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Feest

o. (-en), 1. viering met vreugdebedrijf en plechtigheid van een gedenkdag: het feest der Drie Koningen; het Kerstfeest; nationale feesten; 2. bijeenkomst en samenzijn ter viering van een heuglijk feit: kom je ook op het feest? bij hun verloving en hun huwelijk hebben ze grote feesten gegeven; 3. (Zuidn.) kermis, jaarma...

Lees verder
1937
2022-01-24
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

feest

o. feesten (o.-Fr. feste [Lat. festum]: 1 plechtige viering van een of andere gebeurtenis, het vieren van een heuglijk feit; 2 Z.-N. kermis; ook kermisgeschenk); (vroeger ook vr.; thans nog: ter feest gaan): 1. het feest van Kerstmis; een vrolijk feest; het feest der lantaarns, Chinees lentefeest; het zal mij een (waar) feest zijn, zeer aangenaam z...

Lees verder
1933
2022-01-24
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Feest

Feest. - In Oud-Griekenland zijn de feesten in den regel ontstaan uit den eeredienst; enkele ook waren herdenkingsplechtigheden, bijv. de ➝ Eleutheriën. Te Sparta waren de Hyacinthiën en de Cameeën van godsdienstigen en militairen aard. De Gymnopediën daarentegen waren feesten voor de jeugd. Onder de zeer talrijke Atheensche f....

Lees verder
1898
2022-01-24
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Feest

FEEST, o. (-en), plechtige viering van eene (inz. godsdienstige) herdenking; plechtigheid, wijding: het feest der Drie Koningen; het Kerstfeest; — viering van een heuglijk feit: verlovingsfeest; het zilveren feest vieren; de lustrumfeesten; — maaltijd, gastmaal: ter feest gaan, noodigen; — vreugde, genoegen, genot: het is ten wa...

Lees verder