Wat is de betekenis van Fatsoenlijk?

2018
2022-01-21
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

fatsoenlijk

fatsoenlijk - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: fat-soen-lijk 1. met goede manieren, zoals het hoort ♢ hij gedraagt zich altijd fatsoenlijk 1. met goed fatsoen [als je niet uit de toon wilt vallen]...

Lees verder
1973
2022-01-21
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

fatsoenlijk

bn. en bw. (er, -st), 1. van niet lage stand of daarmee overeenkomend: hij is van fatsoenlijke afkomst; fatsoenlijke armoede, toestand van iemand die uiterlijk zijn waardigheid, zijn stand ophoudt, maar heimelijk armoede lijdt; 2. overeenkomstig het fatsoen in verschillende nuances, hetzij met betrekking tot eer en zedelijke normen, hetzij meer me...

Lees verder
1952
2022-01-21
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Fatsoenlijk

adj. & adv., fatsoenlik.

1950
2022-01-21
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Fatsoenlijk

bn. bw. (-er, -st), 1. van niet lage, geringe stand of daarmee overeenkomend: hij is van fatsoenlijke afkomst; een fatsoenlijke buurt; een fatsoenlijke bedelaar, iem. die uiterlijk zijn waardigheid, zijn stand ophoudt, maar heimelijk armoede lijdt; 2. zich houdende aan, ofwel overeenkomstig het fatsoen in verschillende nuances...

Lees verder
1937
2022-01-21
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

fatsoenlijk

bn., bw. (1 overeenkomende met het fatsoen in bet. 2; welgemanierd, net, welvoeglijk; 2 eerbaar): 1. fatsoenlijk eten; fatsoenlijke mensen; 2. een fatsoenlijk meisje.

Lees verder
1898
2022-01-21
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Fatsoenlijk

FATSOENLIJK, bn. bw. (-er, -st), overeenkomstig het fatsoen, de goede manieren, welgemanierd; behoorlijk, welvoeglijk; de fatsoenlijke stand; een fatsoenlijk man; geen fatsoenlijk woord hoort men van hem; fatsoenlijk handelen, spreken; hij ziet er fatsoenlijk uit; — zindelijk dat kind is nog niet fatsoenlijk; — eerbaar: een fatsoenlijk...

Lees verder