Wat is de betekenis van Fatsoenlijk?

2018
2021-01-20
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

fatsoenlijk

fatsoenlijk - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: fat-soen-lijk 1. met goede manieren, zoals het hoort ♢ hij gedraagt zich altijd fatsoenlijk 1. met goed fatsoen [als je niet uit de toon wilt vallen]...

Lees verder
1973
2021-01-20
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

fatsoenlijk

bn. en bw. (er, -st), 1. van niet lage stand of daarmee overeenkomend: hij is van fatsoenlijke afkomst; fatsoenlijke armoede, toestand van iemand die uiterlijk zijn waardigheid, zijn stand ophoudt, maar heimelijk armoede lijdt; 2. overeenkomstig het fatsoen in verschillende nuances, hetzij met betrekking tot eer en zedelijke normen, hetzij meer me...

Lees verder
1950
2021-01-20
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Fatsoenlijk

bn. bw. (-er, -st), 1. van niet lage, geringe stand of daarmee overeenkomend: hij is van fatsoenlijke afkomst; een fatsoenlijke buurt; een fatsoenlijke bedelaar, iem. die uiterlijk zijn waardigheid, zijn stand ophoudt, maar heimelijk armoede lijdt; 2. zich houdende aan, ofwel overeenkomstig het fatsoen in verschillende nuances...

Lees verder
1898
2021-01-20
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Fatsoenlijk

FATSOENLIJK, bn. bw. (-er, -st), overeenkomstig het fatsoen, de goede manieren, welgemanierd; behoorlijk, welvoeglijk; de fatsoenlijke stand; een fatsoenlijk man; geen fatsoenlijk woord hoort men van hem; fatsoenlijk handelen, spreken; hij ziet er fatsoenlijk uit; — zindelijk dat kind is nog niet fatsoenlijk; — eerbaar: een fatsoenlijk...

Lees verder