Wat is de betekenis van Fatsoen?

2019
2023-02-05
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

fatsoen

fatsoen - Zelfstandignaamwoord 1. goede manieren Probeer je fatsoen te bewaren, hoe boos je ook bent.

Lees verder
2018
2023-02-05
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

fatsoen

fatsoen - zelfstandig naamwoord uitspraak: fat-soen 1. manier waarop je je hoort te gedragen ♢ hij heeft geen fatsoen 1. ik kan met goed fatsoen nu niet weggaan [ik hoor te blijven] ...

Lees verder
1981
2023-02-05
Zuidnederlands Woordenboek

Schrijver op Ensie

fatsoen

Model (van kleren); vormgeving, stijl (van meubelen). De stof van haar mantelpakjes was van de eerste soort en het fatsoen niets dan een kunstwerk van smaak, DAISNE 1948, 29. Wondermooie eetkamer «Franse Boerenstijl». Antiek fatsoen, ovale tafel enz., Gentenaar 3/8/1977.

Lees verder
1980
2023-02-05
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Fatsoen

Evenals het Engelse fashion is ons woord fatsoen afgeleid van het Franse façon dat weer uit het Latijn stamt. In het Latijn is factio het maken, het handelen. De oudste betekenis van fatsoen is: model, vorm, gedaante, zowel van voorwerpen als van mensen. In Sara Burgerhart wordt een temerige kwezel: het ouwe fatsoen genoemd. En in de Camera...

Lees verder
1973
2023-02-05
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

fatsoen

o. (-en), 1. vorm, model, m.n. van kledingstukken, snede; thans bijna alleen nog in de verbinding: iets uit of weer in zijn — brengen, in de vereiste vorm; 2. al wat gemanierd geacht wordt, hetzij meer in zedelijk, hetzij in formeel opzicht (de goede manieren in de ruimste zin), m.n. echter als iets conventioneels opgevat: de wetten van het...

Lees verder
1952
2023-02-05
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Fatsoen

s.n., fatsoen (it); (model), bigryp (it), bistek (it); voor zijn, út fatsoen, foar 't fatsoen; hij kent geen —, der sit gjin fatsoen yn him.

1950
2023-02-05
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Fatsoen

o. (-en), 1. vorm, model, inz. van kledingstukken, snede: een jas van vreemd fatsoen; — thans bijna alleen nog in de verb. iets uit of weer in zijn fatsoen brengen, in de vereiste vorm; 2. maatschappelijke waardigheid, thans alleen nog in zijn fatsoen ophouden, zijn stand ophouden, geen armetierige indruk willen m...

Lees verder
1948
2023-02-05
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

fatsoen

o. 1 vorm, model; 2 beschaving, goede manieren.

1937
2023-02-05
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

fatsoen

o. fatsoenen, fatsoentje (Fr. façon: 1 vorm, model inz. van kledingstukken of sieraden; 2 goede manieren in de maatschappelijke omgang, soms ong.; 3 [goede] stand, eer, aanzien zelfstandig enigszins vero.): 1. een jasje v. e. oud of vergeten fatsoen; uw hoed is door die val geheel uit zijn fatsoen, vorm; 2. dit boerenmeisje weet nog weinig v...

Lees verder
1930
2023-02-05
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

fatsoen

(fat'soen) o. (-en; -tje) [< Fr. ➝ façon] manier van zich voor te doen wat betreft 1. de kleding, model, vorm, snit: het van een jas, hoed; uit zijn zijn; weer in zijn brengen. 2. de stand, in uitdr.: zijn (op)houden, bewaren, geen armoedige indruk willen maken; het hangt bij de goudsmid, antwoord aan iemand die, om zijn fatsoen meer...

Lees verder
1926
2023-02-05
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Fatsoen

Vermoedelijk gevormd naar het Fransche façon, (afgeleid van het Latijnsche factio, d. i. maaksel) dat in ’t algemeen wijze, manier, vorm, en voorts ook welvoeglijkheid, wijze van wèl te leven en zich te gedragen, beteekent.

1919
2023-02-05
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Fatsoen

vorm. manier; ook het geheel van vormen, manieren, waarnaar men zich in de samenleving over ’t algemeen richt; ook de eigenschap van zich daarnaar te richten; uit fr. façon, het lat. factio, acc. factionem, van het ww. facere, maken, doen, fra. faire.

1898
2023-02-05
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Fatsoen

FATSOEN, o. (-en), vorm, snede het fatsoen van dien rok bevalt mij wel; het fatsoen van een schip, van een hoed; iets weer in zijn fatsoen brengen, in den vereischten vorm; — vorming, bewerking (inz. bij goud en zilver) hoeveel kost het fatsoen van die lepels ?; waardeeren buiten het fatsoen; voor oud en half fatsoen; — (fig.) behoorli...

Lees verder
1864
2023-02-05
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Fatsoen

Fatsoen, o. (-en), vorm, snede; het - van dien rok bevalt mij wel; vorming, bewerking (inz. bij goud en zilver), hoeveel kost het - van die lepels? waarderen buiten het -; (fig.) behoorlijkheid, gemanierdheid, een man van -, houd uw - een weinig. *-EREN, (B. -EEREN), bw. gel. (ik fatsoeneerde, heb gefatsoeneerd), vormen, bewerken (inz. van kleedin...

Lees verder
1573
2023-02-05
Etymologicum 1573

Kiliaans Etymologicum Teutonicae Linguae

Fatsoen

Factura, figuratio, forma, habitus, modus. gal. façon: ital. faccia. angl. fashion.

Lees verder