Wat is de betekenis van familie?

2026-01-24
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Familie

v. (-S, ...liën), veroud. en volkst. FAMIELJE, 1. gezin als bestaande uit bij elkaar wonende leden, huisgezin van een bep. persoon: er wonen twee families in dat huis; een bezoek bij de familie S.; — de Heilige Familie, het kind Jezus met Maria en Jozef; huisgenoten: hoe maakt de familie het? de heer en mevrouw B....

Wil je de volledige toegang tot alle 20 resultaten?

Word vriend

Of oriënteer eerst en blader door onze categorieën


Studenten en medewerkers van onderstaande onderwijsinstellingen hebben gratis toegang

Universiteit Leiden University of Amsterdam Universiteit Utrecht
2026-01-24
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

familie

(1904) (sch.) ongedierte (op het lichaam). Vermeld in het WNT, zonder vindplaats. Syn.: bondgenoten*; gezelschap*; huisdieren*; verwanten*. • Familie: luizen. Gij krabt gedurig in uw haar, hebt gij misschien familie? (Amaat Joos: Waasch Idioticon. 1904) • Familie, Luizen. J. Ge staat daar gedurig te krabben en te kretsen: hedde misschien...