Wat is de betekenis van Falen?

2019
2021-06-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

falen

falen - Werkwoord 1. (inerg) het doel dat men zich stellen|gesteld had niet bereiken Zij falen in hun opzet. Synoniemen feilen ergens niet veel van terechtbrengen er niet veel van maken het erbij laten zittten het laten afweten in gebreke blijven niet thuis geven tekort schieten in...

Lees verder
2018
2021-06-18
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

falen

falen - regelmatig werkwoord uitspraak: fa-len 1. niet het verwachte resultaat opleveren ♢ bij deze opdracht heeft hij gefaald Regelmatig werkwoord: fa-len ik faal jij/u faalt ...

Lees verder
2017
2021-06-18
Waterschap Peel en Maasvallei

Dijkverbetering & hoogwaterbescherming

Falen

Falen is het niet meer vervullen van de primaire functie (waterkeren) en/of het niet meer voldoen aan de vastgestelde criteria.

2016
2021-06-18
Waterveiligheid

Ministerie Infrastructuur en Milieu en ENW

Falen

Het niet meer kunnen vervullen van de primaire functie van de waterkering: water keren. De waterkering voldoet niet meer aan de eisen voor de waterkerende functie.

1973
2021-06-18
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

falen

(faalde, heeft gefaald), 1. ontbreken, meestal in onpers. gebruik: het faalt hem aan moed; 2. in gebreke blijven, te kort schieten: zijn krachten faalden; 3. fouten begaan, verkeerd handelen: het bestuur heeft in dit opzicht meer dan eens gefaald; 4. mislukken, niet slagen: al mijn pogingen faalden; zonder —, zonder mankeren; 5. niet treff...

Lees verder
1965
2021-06-18
Lexicon van de Psychologie

N.Sillamy

FALEN

→ Echec, Succes.

1952
2021-06-18
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Falen

v., fale, feile.

1950
2021-06-18
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Falen

(faalde, heeft gefaald), I. onoverg., 1. ontbreken, meest in onpers. gebruik: het faalt hem aan moed; 2. in gebreke blijven, te kort schieten: zijn krachten faalden; hij faalde wel eens met zijn betalingen; 3. fouten begaan, verkeerd handelen: het bestuur heeft in dit opzicht meer dan eens gefaald ; 4. mislukken, niet slagen...

Lees verder
1898
2021-06-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Falen

FALEN, (faalde, heeft gefaald), in gebreke blijven. te kort schieten hij faalde wel eens met zijne betalingen; — hij faalde daarin, maakte fouten, handelde verkeerd; — zijne voorspelling faalde, kwam niet uit; — dat kan niet falen, missen: — al mijne pogingen faalden, waren vergeefsch; — zonder falen, zonder mankee...

Lees verder
1898
2021-06-18
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Falen

zie Dwalen.