Falen
(faalde, heeft gefaald), I. onoverg., 1. ontbreken, meest in onpers. gebruik: het faalt hem aan moed; 2. in gebreke blijven, te kort schieten: zijn krachten faalden; hij faalde wel eens met zijn betalingen; 3. fouten begaan, verkeerd handelen: het bestuur heeft in dit opzicht meer dan eens gefaald ; 4. mislukken, niet slagen...