Faam
v., g. mv., 1. (fab.) godin die de daden der helden uitbazuint, afgebeeld als een vrouw met vleugels en een menigte ogen, oren en monden of mot een bazuin; het vliegende gerucht; — de faam gaat, het gerucht, de mare gaat. 2. roep, reputatie, naam; — te goeder naam en faam bekend staan, gunstig bekend zijn; — roem, vo...