Eten
(at, heeft gegeten), I. overg., 1. nuttigen, als voedsel tot zich nemen: heb je iets te eten? dat kun je niet eten; — iemands brood eten, bij iemand in dienst zijn; (spr.) wiens brood men eet, diens woord men spreekt, men richt zich naar, sluit zich aan bij het standpunt van zijn patroon; — profeten, die brood et...