Eetwaar, zich voeden, lekkernijen
1. Levensmiddelen, -onderhoud, mondvoorraad, lijftocht, proviand, provisie, subsistentie, substantieel/degelijk voedsel, victualiën, (teer)kost. 2. Voeding: tot ~ van, uitstekende ~, ~smiddelen, ~sstoffen, ~sleer, ~swaarde; voedsel geven aan, uitgelezen ~, alledaags ~. Nutritie, nooddruft, levensbehoeften, spijzen en dranken, gerecht...