Wat is de betekenis van Eerlijk?

2019
2020-11-24
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

eerlijk

eerlijk - Bijvoeglijk naamwoord 1. (juridisch) vrij van leugen en bedrog Wees eerlijk en vertel de waarheid! 2. op een gepaste, eervolle wijze Opdat het spel eerlijk zou verlopen, hield een opzichter hen in de gaten. Woordherkomst Afkom...

Lees verder
2018
2020-11-24
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

eerlijk

eerlijk - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: eer-lijk 1. wie de waarheid spreekt en niet bedriegt ♢ je moet eerlijk tegen me zijn 1. eerlijk duurt het langst [als je liegt of bedriegt kom je niet ver...

Lees verder
2001
2020-11-24
Filosofisch woordenboek

Paul Frentrop - Voor rede vatbaar

Eerlijk

Hoedt U wanneer een politicus het woord ‘eerlijk’ in de mond neemt. ‘Overheidsmaatregelen die erop gericht zijn iets “eerlijk” te verdelen beknotten de vrijheid.’1 1 Milton Friedman.

Lees verder
1973
2020-11-24
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

eerlijk

bn. en bw. (-er, -st), I. bn., 1. (van personen) zonder leugen en bedrog, oprecht, deugdzaam: een eerlijke jongen; een — karakter; 2. (in het bijzonder) zich niet vergrijpend aan andermans eigendom, te vertrouwen: arm maar —; zo — als goud, volkomen eerlijk; (spr.) — duurt het langst, als men zich nooit vergrijpt, komt men...

Lees verder
1898
2020-11-24
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Eerlijk

EERLIJK, bn. bw. (-er, -st). van edele beginselen blijk gevende, oprecht, deugdzaam: een eerlijke jongen; — een eerlijk man, die zich nooit misdragen heeft, rechtschapen; — arm maar eerlijk, te vertrouwen, te goeder trouw jegens anderen; — zoo eerlijk als goud, volkomen eerlijk; — eene eerlijke meid, die niet steelt, niet...

Lees verder
1898
2020-11-24
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Eerlijk

zie Braaf.