Eerlijk
bn. bw. (-er, -st), I. bn. 1. (van personen) wars van leugen en bedrog, oprecht, deugdzaam: een eerlijke jongen; een eerlijk karakter; — een eerlijk man. die zich nooit misdragen heeft, rechtschapen; 2. in ’t bijz., zich niet vergrijpend aan andermans eigendom, te vertrouwen: arm maar eerlijk; zo eerlijk...