Wat is de betekenis van Eenig?

2024-02-22
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Eenig

EENIG, (onbep. telw. zelfst. en bijv.) een onbepaald (meestal klein) aantal, hoeveelheid aanduidende eeniqen beweren het, anderen ontkennen het; — eenige vrienden van hem, niet alle vrienden; — eenige kleedingstukken heeft hij gekocht; — eenig geld, een weinig; — eenige hoop hebben, een weinig; — (onbep. voornw.) d...

2024-02-22
Handwoordenboek van Nederlandsche synoniemen

J.V. Hendriks (1898)

Eenig

zie Alleen.

2024-02-22
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Eenig

Eenig, bn. en bijw. slechts éénmaal voorkomende, alleen, op zich zelf staande, éénig in zijne soort; eenzaam; - ding, iets; - geld, wat -, een weinig geld; ten -en dage, eens, den een of anderen dag; - en alleen, zonder meer; -e zoon, zonder broeders; eenige, verscheidene; eenigen, sommigen, enkelen. *-ERHANDE, *-ERLEI,...