Wat is de betekenis van Eenig?

1898
2021-10-21
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Eenig

EENIG, (onbep. telw. zelfst. en bijv.) een onbepaald (meestal klein) aantal, hoeveelheid aanduidende eeniqen beweren het, anderen ontkennen het; — eenige vrienden van hem, niet alle vrienden; — eenige kleedingstukken heeft hij gekocht; — eenig geld, een weinig; — eenige hoop hebben, een weinig; — (onbep. voornw.) d...

Lees verder
1898
2021-10-21
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Eenig

zie Alleen.