Dwars
bn. bw. (-er, -t), 1. een richting hebbend of in een richting loodrecht op een andere (de hoofdrichting) of althans die andere onder een bijna rechte hoek snijdend: een insect met dwarse banden over het achterlijf; dwars over een rivier zwemmen; — dwars door nadert in bet. tot: geheel en al door: hij stak hem dwars doo...