2020-04-06

dus

dus - Voegwoord 1. om die reden, daarom (signaalwoord) Het is mooi warm weer, dus trek ik geen trui aan. Hij had goed en hard gestudeerd, dus was hij niet bang voor zijn examen.

2020-04-06

dus

dus - voegwoord 1. geeft logisch vervolg aan ♢ ik heb visite, dus ik kan niet mee Voegwoord: dus

2020-04-06

Dus

DUS, voegw., bw., dat eene gevolgtrekking inleidt (al of niet met de rechte woordschikking): de driehoek is gelijkzijdig, dus zijn de hoeken (dus de hoeken zijn, de hoeken zijn dus) zestig graden; —, bw. op deze wijze, aldus dus sprak de held, terwijl hij zijne speer drilde.

2020-04-06

Dus

zie Bijgevolg.