Wat is de betekenis van duizelig?

2019
2021-02-25
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

duizelig

duizelig - Bijvoeglijk naamwoord 1. een gevoel waarbij alles lijkt rond te draaien en het gevoel voor evenwicht verstoord is Woordherkomst Afgeleid van de stam van duizelen met het achtervoegsel -ig. Verwante begrippen duizelen

Lees verder
2018
2021-02-25
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

duizelig

duizelig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: dui-ze-lig 1. met een draaierig gevoel alsof je gaat vallen ♢ ik werd duizelig toen ik naar beneden keek Bijvoeglijk naamwoord: dui-ze-lig ... is duizeliger dan ......

Lees verder
1973
2021-02-25
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

duizelig

bn. (-er, -st), 1. draaierig, licht in het hoofd, door verzwakking van het evenwichtsgevoel, neiging tot vallen hebbende, als ik van een toren naar beneden kijk, word ik (oneig.) — van geluk; 2. duizelingwekkend.

Lees verder
1950
2021-02-25
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Duizelig

bn. (-er, -st), 1. draaierig, licht in het hoofd, door verzwakking van het evenwichtsgevoel, neiging tot vallen hebbende: als ik van een toren naar beneden kijk, word ik duizelig; — ook oneig.: duizelig van geluk; 2. duizelingwekkend.

Lees verder
1898
2021-02-25
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Duizelig

DUIZELIG, bn. (-er, -st) draaierig, neiging tot vallen hebbende als ik van een toren naar beneden kijk, word ik duizelig. DUIZELIGHEID, v. het onderhevig zijn aan duizelingen.

1898
2021-02-25
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Duizelig

zie Bedwelmd.