2019-09-23

Duister

In het duister tasten, in onzekerheid verkeren, in het bijzonder over oorzaak, omstandigheden, werking e.d. van iets, bij gebrek aan gegevens. ‘Sy tasten in de duysternisse’, is de formulering van de Statenvertaling (1637) om een situatie te tekenen waarbij mensen in totale verwarring verkeren. Deze frase is genomen uit een passage in Deuteronomium, of uit Jobs rede tot Zofar, waar hij Gods bestuur als willekeurig voorstelt; immers ‘Hun aanvoerders beneemt hij het verstand, hij laat hen d...

Lees verder
2019-09-23

duister

duister - Bijvoeglijk naamwoord 1. in weinig of geen licht badend Hij viel over een krukje in die duistere gang. 2. overdrachtelijk: onduidelijk, moeilijk te doorgronden Die publicatie maakt daar alleen maar een duistere opmerking over. 3. overdrachtelijk: eng, gevaarlijk duister - Zelfstandignaamwoord 1. een donkere of schemerachtige toestand Lees verder

2019-09-23

duister

duister - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: duis-ter 1. niet te verklaren, je snapt niet wat het betekent ♢ er was een duistere figuur aan de deur 1. het is mij duister [ik begrijp het nog niet] 2. als er weinig licht is ♢ het was erg duister in het bos Bijvoegl...

Lees verder
2019-09-23

Duister

DUISTER, bn. bw. (-der, -st), zonder licht, donker eene duistere kamer; een duistere nacht; het licht of de kaars brandt duister, slecht; — (fig.) de toekomst is nog duister, men kent haar nog niet; — 't is me nog even duister, ik begrijp het nog niet; — (fig.) onduidelijk, verward, niet helder: een duistere stijl; duistere woorden; —, o. duisternis hij ziet in het duister (ook: in den duister); in het duister rondtasten, (fig.) in volslagen onzekerheid verkeeren, handelen.