Wat is de betekenis van drom?

2019
2021-08-03
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

drom

drom - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van drommen ♢ Ik drom 2. gebiedende wijs van drommen drom! 3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van drommen drom je? drom -...

Lees verder
2018
2021-08-03
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

drom

drom - zelfstandig naamwoord 1. groot aantal mensen bij elkaar ♢ er stonden drommen mensen voor de ingang Zelfstandig naamwoord: drom de drom de drommen Synoniemen horde, massa, menigte, schar...

Lees verder
1950
2021-08-03
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Drom

I. m. (-men), menigte van min of meer opeengedrongen, inz. rond een middelpunt geschaarde personen (zelden van dieren of zaken), troep, hoop: ik kon niet door de dichte drom heenbreken; in dichte drommen komen opzetten; — schaar gewapenden: de vijandelijke drommen, gelederen. II.m., Dreum.

Lees verder
1919
2021-08-03
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Drom

dichte menigte, ook troep gewapenden, van denzelfden stam als drommen, dringen; ags. drym, menigte, macht.

1898
2021-08-03
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Drom

DROM, m. (-men), menigte, opeengedrongen hoop ik kon niet door den dichten drom heenbreken; in dichte drommen komen opzetten; — de vijandelijke drommen, gelederen; — (gew.) inslag.

Lees verder