drieten
(19e eeuw) (vnl. Utrecht) zijn gevoeg doen; kakken*. • drieten, (drîten), kakken, drijten (Wdb.). Nu nog? (gehoord omstreeks 1870). Verg. “den buik ontlasten; Alias in goed Amersfoorts dryten, id est schyten”, Gem. Parnasl. 2de dr., 36. - “Dritters” = Amersfoorders (1661), zie Utr. Volksalm. 1855, 103 (of Wdb. op:...