Wat is de betekenis van Doorloopen?

1898
2021-01-16
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Doorloopen

DOORLOOPEN, (liep door, is en heeft doorgeloopen), voortdurend loopen; verder loopen loop nog een eindje door; (fig.) de inteekening loopt door tot; — de aanteekeningen loopen door tot, zijn voortgezet tot; — de pagineering loopt door, begint niet meer van één af; — door iets heen loopen hij heeft (is) de stad door...

Lees verder