Doordoen
(deed door, heeft doorgedaan), 1. (niet alg.) doorhalen, doorschrappen, doorstrijken: dat deugt niet, doe dat maar door; een post in het boek doordoen; ge kunt hem wel doordoen, behoeft niet op hem te rekenen (hij komt toch niet); 2. in tweeën breken, doorsnijden, doorknippen enz. ; 3. (Zuidn.) door de zeef laten gaan:...