Wat is de betekenis van door?

2020
2022-10-02
Meertens Instituut

Nederlandse Voornamenbank

Door

Verkorting van (een vrouwelijke vorm van) Isidoor, Polydoor of Theodoor. Als mannelijke naam vooral in Zuid-Nederland.

2019
2022-10-02
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

door

door - Voorzetsel 1. de handelende persoon bij een lijdende vorm Het afval wordt wekelijks door vuilnismannen opgehaald. Dit huis is door mijn vader gebouwd. 2. de oorzaak In de herfst heeft de trein vaak vertraging...

Lees verder
1973
2022-10-02
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Door

m. (doren), dooier.

1964
2022-10-02
voornamen

Voornamenboek

Door

m Vooral Zuid-Ndl. verkorting van Isidoor, Polydoor of Theodoor.

Lees verder
1963
2022-10-02
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar

door

: door komen (kwam door, is doorgekomen), binnen komen. Kom door, zegt Anton en hij maakt een uitnodigend gebaar (Doelwijt 1969: 10). De goede God had hem gezegd, dat hij niemand door moest laten komen in de hemel, zolang hij [God] niet weer terug was (de Groot & D. 5). Etym.: Er kunnen associaties zijn met drie bet. van S doro, nl. ‘aank...

Lees verder
1952
2022-10-02
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Door

adv. & praep., troch, fan; het hele jaar —, it hiele jier lâns; de hele avond —, de hiele joun út; al maar — oan ien wei, oan ien tried wei, mar oan en mar wei, mar fuort en mar wei; — en —, troch, trochhinne, trochfrettend, yn ’e groun, troch ende wer troch; &m...

Lees verder
1951
2022-10-02
Woordenboek Engels (EN-NL) 1951

Dr. F.P.H. van Wely

door

deur; portier [v. auto]; creaking doors hang longest, krakende wagens lopen het langst; lay it at (to) his door, het hem ten laste leggen, het hem in de schoenen schuiven; it lies at his door, het is hem te wijten, het is zijn sfhuld; put one to the door, iemand de deur uitzetten; out of doors, buitenshuis; to the door (with you, with him)!, de deu...

Lees verder
1950
2022-10-02
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Door

I. DOOR m. en o. (doren), zie dooier. II. DOOR I. vz., 1. van een punt van de ene zijde ener ruimte (voorwerp) naar een punt aan de andere zijde, zó dat die weg binnen die ruimte ligt: de kogel drong door de plaat, d.i. hij ging er in aan de ene zijde en kwam er uit aan de andere zijde: iem. het zwaard door de borst stoten (...

Lees verder
1937
2022-10-02
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

door

I. bw., 1. vormt samenst. met w.w. nu eens scheidb. (met de klem op door) b.v. doorsnijden, dan weer onscheidb. (met de klem op het w.w.) b.v. doorsnij'den; 2. vz.: hij liep door de kamer. II. m. en o. doren (dooier).

Lees verder
1930
2022-10-02
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

door

(do:r) I. vz. 1. van de ene zijde van iets naar een punt aan de andere zijde: een plank boren. Tgst. langs. 2. gedurende: alle eeuwen. 3. wegens: ziekte verhinderd. 4. leidt, in de passieve vorm, doopvont het handelend onderwerp in: zijn ouders bemind worden. II. bw. 1. door een bepaalde ruimte: hij moest de hele tuin -; ik kan dat droge ete...

Lees verder
1898
2022-10-02
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Door

Het begrip door heeft 3 verschillende betekenissen: 1. door - DOOR, m. o. (-en), zie DOOIER, (DOOR is eene samentrekking van DODER. In sommige streken luidt het enkelv. doren (zav. dorens). 2. door - DOOR, vz. van een punt van de eene zijde eener ruimte (voorwerp) naar een punt aan de andere zijde, zóó dat die weg gedeeltelijk binnen...

Lees verder
1864
2022-10-02
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Door

Door, m. zie DOJER. *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine dojer; (ook) verkorte vrouwennaam voor Dorothea.

Lees verder
1573
2022-10-02
Etymologicum 1573

Kiliaans Etymologicum Teutonicae Linguae

Door

ger. sax. sicam. hol. fris. campin. Stuldus, stolidus, socors.

Lees verder