Wat is de betekenis van dooddoener?

2020
2021-06-13
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

dooddoener

(1927) (Barg.) klap, oplawaai. • Me niet anroake, sjuffert, of ik sel je een doaddoener geife. (Nono: Amsterdammers. 1927)

Lees verder
2019
2021-06-13
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

dooddoener

dooddoener - Zelfstandignaamwoord 1. nietszeggende, algemene opmerking om een discussie voortijdig af te sluiten De discussie werd beëindigd met de dooddoener dat de waarheid wel in het midden zal liggen. Woordherkomst Samenstellende afleiding van dood en doen met het achtervoegsel...

Lees verder
2001
2021-06-13
Filosofisch woordenboek

Paul Frentrop - Voor rede vatbaar

Dooddoener

Dat is nou een mooi Nederlands woord, vond P. Dat er veel Chinezen zijn, bijvoorbeeld, dat weten we nu wel. Ook als antwoord op de dooddoener kent de Nederlandse taal een mooie uitdrukking. Die klinkt een beetje Chinees: Nou en?

Lees verder
1973
2021-06-13
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

dooddoener

m. (-s), argument dat weinig innerlijke waarde heeft, een algemeen gezegde dat in het bijzondere geval niets bewijst, maar waarop moeilijk dadelijk een afdoend antwoord is te geven, machtspreuk: hij wist hem met een — af te schepen.

1950
2021-06-13
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Dooddoener

m. (-s), argument dat weinig innerlijke waarde heeft, een algemeen gezegde dat in het bijzondere geval niets bewijst, doch waarop moeilijk dadelijk een afdoend antwoord is te geven, machtspreuk: hij wist hem met een dooddoener af te schepen.

1898
2021-06-13
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Dooddoener

DOODDOENER, m. (-s), lediglooper; (fig.) een argument dat feitelijk weinig innerlijke waarde heeft, een algemeen gezegde dat in het bijzondere geval niets bewijst, doch waarop moeilijk dadelijk een afdoend antwoord is te geven hij wist hem met een dooddoener af te schepen.