Wat is de betekenis van dokter?

2026-01-18
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Dokter

m. (-s, doctoren), 1. geneesheer : mijn dokter is de heer A., doctor in de medicijnen ;aan de dokter, onder dokters handen zijn, onder geneeskundige behandeling zijn; — zijn eigen dokter zijn, zichzelf genezen ; — Hongaarse dokter, oliekoop, kwakzalver; 2. (gew.) hooipeiler, iem. die hooibergen op b...

Wil je de volledige toegang tot alle 20 resultaten?

Word vriend

Of oriënteer eerst en blader door onze categorieën


Studenten van onderstaande onderwijsinstellingen hebben gratis toegang

Universiteit Leiden University of Amsterdam Universiteit Utrecht
2026-01-18
Indonesisch Nederlands woordenboek

W. J. S. Poerwadarminta en dr. A. Teeuw (1950)

dokter

doktor, arts, dokter; dokter djawa †, Indisch arts (van vroeger, op Java opgeleid); dokter gula, fabricagechef (van suikerfabriek); kedokteran, medisch; ‘t artswezen.