Wat is de betekenis van doerak?

2020
2021-06-13
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

doerak

1) (1879) (scheldw.) gemeen persoon; schelm; iemand die zich schandelijk gedraagt; vaak ook een gemeen wijf, een lichtekooi. Soms in positieve zin, wanneer plagenderwijs gebruikt m.b.t. kinderen. Dan heeft het eerder de betekenis van 'bengel, deugniet'. Wellicht overgenomen van de kozakken, die aan het eind van het Napoleontijdperk (ro...

Lees verder
2019
2021-06-13
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

doerak

doerak - Zelfstandignaamwoord 1. deugniet

Lees verder
2017
2021-06-13
Prostituees en pooiers

Jargon & Slang van Prostituees en pooiers

Doerak

Doerak - scheldwoord voor een prostituée. Overgenomen uit het Russisch, waarin het domoor of sufferd betekent, of uit het Mal. doerhaka = ongehoorzaamheid, verzet.

2007
2021-06-13
Scheldwoordenboek

Geschreven door Marc de Coster © 2007

doerak

gemeen persoon; schelm; iemand die zich schandelijk gedraagt; vaak ook een gemeen wijf, een lichtekooi. Soms in positieve zin, wanneer plagenderwijs gebruikt m.b.t. kinderen. Dan heeft het eerder de betekenis van ‘bengel, deugniet’. Wellicht overgenomen van de kozakken, die aan het eind van het Napoleon tijdperk (rond 1813) in Nederland...

Lees verder
1994
2021-06-13
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Doerak

[Russ. = domkop, sufferd] (volkst.) schurk, ellendeling, laaghartig gemeen persoon.

1993
2021-06-13
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Doerak

bengel; smeerlap

1977
2021-06-13
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

doerak

doerak - lichtekooi; eig.: ‘schavuit, loeder’. Ontleend hetzij aan russ. doerak, domoor, of aan mal. doerhaka, ongehoorzaamheid, verzet.

1973
2021-06-13
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

doerak

m. (-ken, -s), gemeen, laaghartig mens: het is zo'n —; een — van een vent.

1955
2021-06-13
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Doerak

(Barg.) smeerlap; deugniet.

1950
2021-06-13
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Doerak

m. (-ken), gemeen, laaghartig mens: ’t is zo'n doerak ; een doerak van een vent.

1949
2021-06-13
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

doerak

deugniet. Wat dee ze zich aan zo’n doerak vergooien. Onderkruiper (z.h.); [die] zwarte marktprijs drukt (z.h.).

Lees verder
1948
2021-06-13
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

doerak

(Russ.) m. smeerlap.

1919
2021-06-13
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Doerak

scheldwoord — gemeen wijf; ruwe, onbeleefde persoon. Of ontleend aan het russ. doerak (domoor), òf aan mal. doerhaka (ongehoorzaamheid, verzet). Ook in ’t Barg. komt het voor, = deugniet (Koster Henke, (Boe-vent.); in ’t Devent. dial. = lichtekooi (zie Draaijer).

Lees verder
1898
2021-06-13
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Doerak

DOERAK, m. (-ken), gemeen, laaghartig mensch *t is zoo’n doerak; een doerak van een vent; ook scherts, tegen een kind gezegd.