Wat is de betekenis van Doende?

2019
2022-12-09
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

doende

doende - Bijvoeglijk naamwoord 1. tijdens het doen, tijdens het werken Hij hengelde de een na de ander binnen: in een bestek van tien ronden rukte hij op van de vijftiende naar de zesde plaats en reed al doende de snelste tijden van iedereen. doende - Werkwoord 1. verbogen...

Lees verder
1973
2022-12-09
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Doende

bn. en bw., bezig: hij is ermee doende.

1950
2022-12-09
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Doende

bw. bn., bezig : hij is er mee doende.

1937
2022-12-09
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

doende

bn., bw. (onvolt. deelw. van doen: bezig): hij is er mee -; nog: hetwelk - enz., aan het slot van een rekest; al - leert men, oefening maakt den meester.

1930
2022-12-09
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

doende

('doendə) bn. en bw. bezig : er mee zijn; hetwelk .... aan het einde van een verzoekschrift.

1898
2022-12-09
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Doende

DOENDE, bw. bn. bezig hij is ermee doende; — (spr.) al doende leert men, door iets te doen, leert men ’t langzamerhand beter doen; — ’t welk doende (slot van een verzoekschrift). (Volledig luidde dit slot oudtijds ’t Welk doende, zoo zult Gij weldoen, en wij zullen God (de maagd Maria enz.) voor U bidden).

Lees verder
1573
2022-12-09
Etymologicum 1573

Kiliaans Etymologicum Teutonicae Linguae

Doende

Faciens, agens: & Operosus, operi intentus.

Lees verder