Wat is de betekenis van Discipel?

2019
2021-01-15
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

discipel

discipel - Zelfstandignaamwoord 1. (Bijbels) een leerling van een geestelijk leidsman Jezus verkreeg een aantal van zijn discipelen aan het meer van Tiberias.

Lees verder
2018
2021-01-15
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

discipel

discipel - zelfstandig naamwoord uitspraak: di-si-pel 1. volgeling en leerling ♢ Jezus had twaalf discipelen Zelfstandig naamwoord: di-si-pel de discipel de discipels

Lees verder
2000
2021-01-15
Bijbels Lexicon

Door Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart

Discipel

Discipel, (lett.) leerling; volgeling, in het bijzonder van Jezus; ook: leerling of aanhanger van een bepaald persoon in het algemeen. In de evangeliën en in het boek Handelingen van de Apostelen worden de volgelingen van Jezus als discipelen aangeduid, zowel in het algemeen, als ter aanduiding van alleen zijn twaalf leerlingen: ‘En Hij riep zijn t...

Lees verder
1993
2021-01-15
Vreemd Nederlands

Vreemd Nederlands

Discipel

apostel; volgeling

1990
2021-01-15
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

discipel

discipel - Te gebruiken voor personen die de leer, denkwijze of het voorbeeld van een leraar of leider leren, accepteren en er zich door laten leiden, bijvoorbeeld de belijdende volgelingen van een religieuze leider of aanhangers van een bepaalde denkwijze.

1973
2021-01-15
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

discipel

[Lat. discipulus, leerling, uit de Lat. vert. van het NT, voor het Gr. mathetes], m. (-en, -s), volgeling, leerling, m.n. de leerlingen van Jezus. De term discipelen wordt in engere zin genomen voor de twaalf apostelen, maar ook voor allen die zich bij Jezus aansloten. Allerlei joodse leraars en Griekse filosofen hadden ook hun discipelen. Zo word...

Lees verder
1950
2021-01-15
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Discipel

(<Lat.), m. (-en, -s), leerling, inz. in toepassing op de jongeren van Christus (bij Prot.); — volgeling, navolger; (scherts.) mijn discipelen, mijn jongens.

1948
2021-01-15
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

discipel

m. leerling, scholier; apostel, jongere.

1926
2021-01-15
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Discipel

In algemeenen zin beteekent discipel : leerling. Er is in de Heilige Schrift dan ook sprake van discipelen van Johannes den Dooper (Joh. 1 : 35) maar evenzeer van discipelen der Farizeeën (Matth. 22 :16). In het bijzonder wordt het woord discipel gebezigd van Jezus’jongeren, die aan zijne voeten zaten, om het Evangelie des Koninkrijks te...

Lees verder
1914
2021-01-15
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

discipel

discipel, - m., leerling, scholier, volgeling, aanhanger.

1898
2021-01-15
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Discipel

DISCIPEL, m. (-en, -s), leerling, scholier, inz. in toepassing op de jongeren van Christus; (scherts.) mijne discipelen, mijne jongens; zie APOSTEL. DISCIPELIN, v. (-nen), (w. g.)

1864
2021-01-15
Beknopt kunstwoordenboek

Beknopt kunstwoordenboek, I.M. Calisch (1864)

discipel

discipel - m. en v. (discipels), leerling, scholier, -ster; volgeling