Wat is de betekenis van deur?

2020
2021-01-17
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

deur

1) (1990+) (vastgoedsector) huis: '500 deurtjes doen' (500 woningen kopen of laten bouwen). • (Pieter Kort: Bisnis Babbel. 1996) 2) (1984) (jeugd) onhandig persoon. • Deur, onbenullig persoon. (Kristiaan Laps: Nationaal Scheldwoordenboek. 1984) • Deur, Onhandig persoon: Zijn brommer is altijd stuk. Dat...

Lees verder
2019
2021-01-17
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

deur

deur - Zelfstandignaamwoord 1. (bouwkunde) een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof     ♢ De deur werd met een koevoet uit zijn sponningen gelicht. Woordherkomst Afkomstig van het Middelnederlandse dore, dure, doere, Oudnederfrankische duri Uitdr...

Lees verder
2018
2021-01-17
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

deur

deur - zelfstandig naamwoord 1. schot waardoor je in een huis of in een ruimte komt ♢ doe de deur achter je dicht! 1. zo gek als een deur [heel erg gek] 2. ze is net de deur uit...

Lees verder
2017
2021-01-17
Wielrenners

Jargon & Slang van Wielrenners

Deur

Deur - 'de deur dichtdoen, dichtklappen': zo naar de kant uitwijken dat een achtervolgend renner niet kan passeren en zelfs genoodzaakt is om te remmen. Dit soort manoeuvres gebeurt meestal tijdens de sprint. Vgl. Fr. bordurer, tasser; Eng. to box someone in; Fr. être dans la boîte = zich bij een sprint laten insluiten; Eng. in a pocket. 'De deur d...

Lees verder
2014
2021-01-17
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

deur

in: rode deur, deur in de Oude Kerk met een waarschuwing erboven (’t Is haest getrout dat lange rout) dat je je goed moet bedenken voor je trouwt; voor de rode deur gaan, in ondertrouw gaan: STROOP 111; achter de schuine deur, in de lommerd: Ik heb zoo zoetjes an al heel wat van haar spulletjes naar oome Jan achter de schuine deur gebracht, V...

Lees verder
2007
2021-01-17
Scheldwoordenboek

Geschreven door Marc de Coster © 2007

deur

(jeugdtaal) onhandig persoon. Sedert de jaren tachtig en negentig. Zijn brommer is altijd stuk. Dat kun je ook verwachten bij zo’n deur. (Mare Hofkamp & Wim Westerman, Aso’s, Bigi’s, Crimi’s. Jongerentaalwoordenboek, 1989)

Lees verder
2004
2021-01-17
Woordenboek van Eufemismen

Marc De Coster

deur

niet samen door één deur kunnen, elkaar niet kunnen uitstaan; voortdurend ruzie maken; compromissen moeten maken. Deze uitdrukking werd in de loop van de jaren negentig van de twintigste eeuw erg populair. Vooral in politieke kringen is dit een cliché geworden. Het komt minder hard over dan wanneer je zegt dat er voortdurend gebakkeleid wordt. Burg...

Lees verder
2000
2021-01-17
Bijbels Lexicon

Door Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart

Deur

Aan iemands deur voorbijgaan, iemand niet treffen, gezegd van onheil en ziekten die algemeen rondgaan. Toen het joodse volk nog zuchtte onder het juk van de Egyptische slavernij werd het feest van het Pascha ingesteld. Een van de voorschriften was, dat men zijn deurpost rood maakte met het bloed van het geslachte vee. Als de Heer dan Egypte doortro...

Lees verder
1998
2021-01-17
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Deur

(samen) door één - kunnen in staat zijn om compromissen te sluiten. Gezegd van personen die een meningsverschil hebben, maar desondanks geen ruzie maken. Modieuze uitdr. uit de politieke wereld. Jaren negentig. Zie ook daar is het gaf van de deur!; zo link als een looien deur (alleen niet zo zwaar).

Lees verder
1997
2021-01-17
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

deur

Ga de deur aan de buitenkant dichtdoen! Met deze verwensing, geuit in woede enz., zegt men niets anders dan ‘ik veracht je’, ‘hoepel op’. Mullebrouck (1984) kent voor Vlaanderen ge kunt de deur langs buiten bekijken! Daarnaast is er de verwensing de deur uit met een balein in je rug! (Van Eijk (1978: 88)...

Lees verder
1977
2021-01-17
Erotisch woordenboek

Geschreven door Hans Heestermans (1977)

deur

deur - vrouwelijk geslachtsdeel (vgl. poort). Wie de tempel in wil dringen, Waar hij tast en wroet en boort, moet twee deuren openwringen, Eros’ L. 74 [18e e.]. Hierbij: voor de deur kloppen; het deurtje openstoten, copuleren, neuken. Want je bent al meer goet aerdich, En versien van goet humeur, Om een Me deken (= meisje. H.) eens vaerdich,...

Lees verder
1973
2021-01-17
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

deur

v./m. (-en), beweegbaar element dat toegang geeft tot een daarachter gelegen ruimte en deze tegelijkertijd afsluit (g): een gang met vele deuren; de — uitgaan; de — openen, sluiten, aanzetten (niet geheel sluiten); de grendel op de doen; de — van een oven, een stoomketel; dubbele deuren, met twee scharnieren verbonden beweegbare...

Lees verder
1950
2021-01-17
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Deur

v. (-en), door draaien of schuiven beweegbaar verticaal deel, toegang gevende tot een huis, vertrek, kast enz. : een gang met vele deuren ; de deur uitgaan; de deur openen, sluiten, toedoen, aanzetten (niet geheel sluiten); de ketting, de grendel op de deur doen; — de deur van een oven, een stoomketel; de deurtjes van een haard ; — dubb...

Lees verder
1926
2021-01-17
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Deur

I. In eigenlijken zin, de ingang in een gewoon huis (Gen. 19 : 6; Spr. 5:8; Luc. 13 : 15; 16 : 20) ook in een tent (Gen. 18 : 1 ; Job 31 : 32), een kamer (Matth. 6 : 6), een schaapskooi (Joh. 10 : 1 v.v.), een graf (Matth. 27 : 60; 28 : 2; Marc. 16 : 3). De huisdeuren zijn in het Oosten gewoonlijk laag. Hooge en breede huisdeuren zijn reeds daarom...

Lees verder
1916
2021-01-17
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Deur

Deur - dient om een muur- of wandopening, bestemd als doorgang, te kunnen afsluiten. In den huizenbouw worden d. in allerlei uitvoeringen in verschillende houtsoorten aangetroffen. Buitendeuren zijn meestal draaideuren, binnendeuren dikwijls schuifdeuren. Draaideuren sluiten als regel beter af dan schuifdeuren, die evenwel in geopenden stand minder...

Lees verder
1898
2021-01-17
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Deur

DEUR, v. (-en), door draaien of schuiven beweegbaar verticaal deel, toegang gevende tot een huis, vertrek, kast enz. door de deur binnenkomen; de deur uitgaan: de deur openen, sluiten, toedoen; den ketting, den grendel op de deur doen; — dubbele deur, met twee naast elkaar gelegen beweegbare deelen; — gebroken deur, met twee boven elka...

Lees verder