Wat is de betekenis van Deugd?

2019
2022-09-26
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

deugd

deugd - Zelfstandignaamwoord 1. iets dat goed is in zedelijk opzicht     ♢ Het is een grote deugd dat hij zo behulpzaam is. Woordherkomst Afkomstig van het Middelnederlandse doghet Uitdrukkingen en gezegden     ♦ Van de nood een deugd maken     ...

Lees verder
2018
2022-09-26
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

deugd

deugd - zelfstandig naamwoord 1. goede eigenschap ♢ vriendelijkheid is zijn grootste deugd 1. het doet me deugd [ik vind het fijn] 2. de deugd in het midden ...

Lees verder
2007
2022-09-26
Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Deugd

Deugd (Grieks aretè, Latijn virtus) in morele zin, is een kwaliteit van de moreel goed handelende persoon. Zij stelt de persoon in staat om gemotiveerd te handelen, vrijwillig te handelen, passend te handelen en om continuïteit in zijn handelen aan te brengen. Het gaat hierbij om een houding conform de essentiële natuur van de mens, zoals deze in d...

Lees verder
2004
2022-09-26
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

deugd

- er deugd van/aan hebben, er deugd aan beleven, genieten van, er plezier van hebben.

1997
2022-09-26
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

deugd

De woordgroep bij gans deugd is een verbastering van de eedformule waarin God en zijn deugd tot getuigen worden aangeroepen dat men de waarheid spreekt. Al te frequent gebruik maakt haar tot uitroep. In de 19de eeuw komt de bastaardvloek lieve deugd voor. De functie ervan is het uitdrukken van verbazing. Mullebrouck (1984) kent voor...

Lees verder
1981
2022-09-26
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Deugd

een geestelijke eigenschap die ons een zekere gemakkelijkheid geeft tot bepaalde goede daden. Plato noemt als vier voornaamste deugden (kardinale deugden): voorzichtigheid (= verstandigheid), rechtvaardigheid, sterkte en matigheid. In de beeldende kunst worden deze deugden vaak als personen voorgesteld. Volgens de traditionele katholieke lee...

Lees verder
1973
2022-09-26
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Deugd

v./m. (-en), 1. het goed zijn in zedelijke zin, de voortdurende gezindheid het goede te doen en te bevorderen, en het slechte na te laten: deugd verheugt; het pad der deugd bewandelen, zedelijk, deugdzaam leven; in alle eer en deugd, zonder dat er iets onbehoorlijks gebeurt; de deugd in het midden, schertsend gezegd tot degene van drie personen die...

Lees verder
1955
2022-09-26
Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

DEUGD

is een vervolmaking van de mens in de vorm van een blijvende gerichtheid op zedelijk goed handelen. Het begrip geldt 1. voor de menselijk te verwerven deugd. Als geestelijk wezen is de mens toevertrouwd aan eigen vrijheid. Vanuit het diepste van zichzelf moet hij zijn wil inzetten voor de verwerkelijking van het goede en zijn vermogens in dienst da...

Lees verder
1952
2022-09-26
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Deugd

s., deugd, gevens, treft; er zit geen in, der sit gjin dooch yn; iem. een bewijzen, immen in deugd dwaen.

1950
2022-09-26
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Deugd

v. (-en), 1. het goed-zijn in zedelijke zin, de voortdurende geneigdheid het goede te doen en te bevorderen en het slechte na te laten : deugd verheugt; (üg.) het pad der deugd bewandelen, zedelijk, deugdzaam leven ; — in alle eer en deugd, zonder dat er iets onwelvoeglijks geschiedt; — de deugd in 't midden, schertsend gezegd...

Lees verder
1947
2022-09-26
Winkler Prins Encyclopedie

Winkler Prins 1947

DEUGD

(ethiek) is de uitdrukking voor de constante instelling van ’s mensen gezindheid bij zijn handelen met het oog op de norm, waaraan hij zich zedelijk gebonden acht. Daar het beantwoorden aan die norm derhalve essentieel het karakter van de deugd bepaalt, zal datgene wat als deugd gewaardeerd wordt steeds bepaald worden door wat als norm wordt...

Lees verder
1937
2022-09-26
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

deugd

v. in bet. 2 -en (1 het goed zijn in zedelijke zin; voortdurende geneigdheid het goede te doen en het kwade te laten; 2 goede eigenschap, hoedanigheid): 1 de - beoefenen; het pad der -, goede levenswandel; uitroep van verbazing: lieve -! 2 de -en der heiligen; R.-K. de drie goddelijke -en, geloof, hoop en liefde; de -en en gebreken; dat zijn de ge...

Lees verder
1933
2022-09-26
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Deugd

Deugd - Begrip en deugdleven. Deugd en deugdzaam, in het Ned. spraakgebruik tot de zedelijke orde beperkt, duidt op subjectieve zedelijke goedheid als blijvende gesteltenis, als karaktertrek. Men kan de deugd omschrijven als een blijvende, innerlijke geneigdheid en vaardigheid tot het zedelijk goede, die zinnen en werken van het vrije-wilsleven ric...

Lees verder
1930
2022-09-26
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

deugd

(deucht) v. (-en) [< deugen] I. Eig. gemoedsgesteldheid die ten goede neigt: verheugt. Gez. de beoefenen, naar het goede streven; het pad der bewandelen, goed leven; lieve ! uitroep van verbazing. ➝ eer, nood. Syn. ➝ braafheid. II. Metn. 1. goede eigenschap: naastenliefde is zijn hoogste -; de drie goddelijke -en zijn: geloof, hoop en liefde;...

Lees verder
1926
2022-09-26
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Deugd

Het werkwoord deugen, drukt uit: geschikt zijn voor het doel, waartoe iets bestemd is. Zoo is deugd de hoedanigheid van een ding, waardoor het goed is, bruikbaar voor zijn bestemming. Reeds Aristoteles heeft in dit algemeene begrip van deugd onderscheidingen aangebracht. Hij kent fysische deugden, dat zijn de eigenschappen, die vanzelf werken, waar...

Lees verder
1916
2022-09-26
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Deugd

Deugd - beteekent oorspr. deugdelijkheid, die toestand van een zaak, die aan redelijkerwijze te stellen eischen beantwoordt. Nu wordt de term bijna uitsluitend gebruikt om aan te duiden: de zedelijkheid van het individu; de door handelen verworven, door oefening verhoogde zedelijke kracht van het karakter; het plichtsbewustzijn, in zoover dit bij d...

Lees verder
1911
2022-09-26
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Deugd

van deugen, Os. dugan, van den Germ. wt. dug = nuttig, voordeelig, bevorderlijk zijn; misschien van den Idg. wt. dheugh = geluk. Vgl. ’t Mnl.: „Wapene die hem doghen” = wapenen, die voor hem deugen = nuttig, gepast zijn.

1908
2022-09-26
Vivat

Schrijver op Ensie

Deugd

Zedelijke voortreffelijkheid, tot gewoonte geworden braafheid.

1898
2022-09-26
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Deugd

DEUGD, v. (-en), zielstoestand van den mensch die het goede nastreeft, zoekt te verwezenlijken deugd verheugt; (fig.) het pad der deugd bewandelen, zedelijk, deugdzaam leven; — in alle eer en deugd vrijen, zonder aan verkeerde lusten toe te geven; — ene bepaalde goede zedelijke eigenschap: naastenliefde is de hoogste deugd; dapperheid...

Lees verder
1870
2022-09-26
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Deugd

Deugd is het goede, dat de mensch zich met volle bewustheid toegeëigend en door gestadige toepassing op zijne beweegredenen tot eene gewoonte gemaakt heeft. Zij is gelegen in onze gezindheden, en zonder zedelijke gezindheid bestaat er geen deugd. Toch vindt men van ouds in de bepaling van deugd niet weinig verschil. De volgelingen van Pythágoras no...

Lees verder