Wat is de betekenis van Deugd?

2024-02-29
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

deugd

deugd - Zelfstandignaamwoord 1. iets dat goed is in zedelijk opzicht     ♢ Het is een grote deugd dat hij zo behulpzaam is. Woordherkomst Afkomstig van het Middelnederlandse doghet Uitdrukkingen en gezegden     ♦ Van de nood een deugd maken     ...

2024-02-29
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

deugd

deugd - zelfstandig naamwoord 1. goede eigenschap ♢ vriendelijkheid is zijn grootste deugd 1. het doet me deugd [ik vind het fijn] 2. de deugd in het midden ...

2024-02-29
Lexicon van de Ethiek

Jean Pierre Wils (2007)

Deugd

Deugd (Grieks aretè, Latijn virtus) in morele zin, is een kwaliteit van de moreel goed handelende persoon. Zij stelt de persoon in staat om gemotiveerd te handelen, vrijwillig te handelen, passend te handelen en om continuïteit in zijn handelen aan te brengen. Het gaat hierbij om een houding conform de essentiële natuur van de mens, zoals deze in d...

2024-02-29
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema (2003)

deugd

- er deugd van/aan hebben, er deugd aan beleven, genieten van, er plezier van hebben.

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-29
Vloeken lexicon

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg (1997)

deugd

De woordgroep bij gans deugd is een verbastering van de eedformule waarin God en zijn deugd tot getuigen worden aangeroepen dat men de waarheid spreekt. Al te frequent gebruik maakt haar tot uitroep. In de 19de eeuw komt de bastaardvloek lieve deugd voor. De functie ervan is het uitdrukken van verbazing. Mullebrouck (1984) kent voor...

2024-02-29
Encyclopedie voor Zelfstudie

drs. L.A. Beeloo (1981)

Deugd

een geestelijke eigenschap die ons een zekere gemakkelijkheid geeft tot bepaalde goede daden. Plato noemt als vier voornaamste deugden (kardinale deugden): voorzichtigheid (= verstandigheid), rechtvaardigheid, sterkte en matigheid. In de beeldende kunst worden deze deugden vaak als personen voorgesteld. Volgens de traditionele katholieke lee...

2024-02-29
Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

deugd

In de verb. er deugd van (aan) hebben, er deugd aan beleven, ervan genieten, er genoegen aan beleven; - een deugd van -, ter aand. dat iem. of iets voortreffelijk is in zijn soort: een deugd van een kind, een zeer braaf kind; een deugd van een pintje, een voortreffelijk, lekker pilsje. Eens heb ik bij Boontje gebakken sp...

2024-02-29
Kerkelijk woordenboek

Professor mag. dr. J.B. Kors o.p. (1967)

Deugd

een blijvende gesteldheid en vaardigheid der ziel, welke de menschen in staat stelt het goede te doen. Men onderscheidt → natuurlijke of verworven deugden, die verkregen zijn door een veelvuldige herhaling van goede daden; voorts → bovennatuurlijke of ingestorte deugden, die door God onmiddellijk bij het doopsel zijn geschonken. Zie oo...

2024-02-29
Katholicisme encyclopedie

Prof. dr. J.C. Groot (1955)

DEUGD

is een vervolmaking van de mens in de vorm van een blijvende gerichtheid op zedelijk goed handelen. Het begrip geldt 1. voor de menselijk te verwerven deugd. Als geestelijk wezen is de mens toevertrouwd aan eigen vrijheid. Vanuit het diepste van zichzelf moet hij zijn wil inzetten voor de verwerkelijking van het goede en zijn vermogens in dienst da...

2024-02-29
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Deugd

s., deugd, gevens, treft; er zit geen in, der sit gjin dooch yn; iem. een bewijzen, immen in deugd dwaen.

2024-02-29
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Deugd

v. (-en), 1. het goed-zijn in zedelijke zin, de voortdurende geneigdheid het goede te doen en te bevorderen en het slechte na te laten : deugd verheugt; (üg.) het pad der deugd bewandelen, zedelijk, deugdzaam leven ; — in alle eer en deugd, zonder dat er iets onwelvoeglijks geschiedt; — de deugd in 't midden, schertsend gezegd...

2024-02-29
Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

DEUGD

(ethiek) is de uitdrukking voor de constante instelling van ’s mensen gezindheid bij zijn handelen met het oog op de norm, waaraan hij zich zedelijk gebonden acht. Daar het beantwoorden aan die norm derhalve essentieel het karakter van de deugd bepaalt, zal datgene wat als deugd gewaardeerd wordt steeds bepaald worden door wat als norm wordt...

2024-02-29
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

deugd

v. in bet. 2 -en (1 het goed zijn in zedelijke zin; voortdurende geneigdheid het goede te doen en het kwade te laten; 2 goede eigenschap, hoedanigheid): 1 de - beoefenen; het pad der -, goede levenswandel; uitroep van verbazing: lieve -! 2 de -en der heiligen; R.-K. de drie goddelijke -en, geloof, hoop en liefde; de -en en gebreken; dat zijn de ge...

2024-02-29
Katholieke Encyclopaedie

Uitgeverij Joost van den Vondel (1933-1939)

Deugd

Deugd - Begrip en deugdleven. Deugd en deugdzaam, in het Ned. spraakgebruik tot de zedelijke orde beperkt, duidt op subjectieve zedelijke goedheid als blijvende gesteltenis, als karaktertrek. Men kan de deugd omschrijven als een blijvende, innerlijke geneigdheid en vaardigheid tot het zedelijk goede, die zinnen en werken van het vrije-wilsleven ric...

2024-02-29
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

deugd

(deucht) v. (-en) [< deugen] I. Eig. gemoedsgesteldheid die ten goede neigt: verheugt. Gez. de beoefenen, naar het goede streven; het pad der bewandelen, goed leven; lieve ! uitroep van verbazing. ➝ eer, nood. Syn. ➝ braafheid. II. Metn. 1. goede eigenschap: naastenliefde is zijn hoogste -; de drie goddelijke -en zijn: geloof, hoop en liefde;...

2024-02-29
Christelijke encyclopedie

F.W. Grosheide (1926)

Deugd

Het werkwoord deugen, drukt uit: geschikt zijn voor het doel, waartoe iets bestemd is. Zoo is deugd de hoedanigheid van een ding, waardoor het goed is, bruikbaar voor zijn bestemming. Reeds Aristoteles heeft in dit algemeene begrip van deugd onderscheidingen aangebracht. Hij kent fysische deugden, dat zijn de eigenschappen, die vanzelf werken, waar...

2024-02-29
Oosthoek encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Deugd

Deugd - beteekent oorspr. deugdelijkheid, die toestand van een zaak, die aan redelijkerwijze te stellen eischen beantwoordt. Nu wordt de term bijna uitsluitend gebruikt om aan te duiden: de zedelijkheid van het individu; de door handelen verworven, door oefening verhoogde zedelijke kracht van het karakter; het plichtsbewustzijn, in zoover dit bij d...

2024-02-29
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Deugd

v./m. (-en), 1. het goed zijn in zedelijke zin, de voortdurende gezindheid het goede te doen en te bevorderen, en het slechte na te laten: deugd verheugt; het pad der deugd bewandelen, zedelijk, deugdzaam leven; in alle eer en deugd, zonder dat er iets onbehoorlijks gebeurt; de deugd in het midden, schertsend gezegd tot degene van drie personen die...

2024-02-29
Keur van Nederlandsche woordafleidingen

J.Pluim (1911)

Deugd

van deugen, Os. dugan, van den Germ. wt. dug = nuttig, voordeelig, bevorderlijk zijn; misschien van den Idg. wt. dheugh = geluk. Vgl. ’t Mnl.: „Wapene die hem doghen” = wapenen, die voor hem deugen = nuttig, gepast zijn.

2024-02-29
Vivat's Geïllustreerde Encyclopedie

J. Kramer (1908)

Deugd

Zedelijke voortreffelijkheid, tot gewoonte geworden braafheid.