Wat is de betekenis van Den?

2024-02-28
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

den

den - Zelfstandignaamwoord 1. (plantkunde) Pinus soort naaldboom     ♢ O dennenboom! O dennenboom! wat zijn je takken wonderschoon. den - Lidwoord 1. (in vaste uitdrukkingen) accusatief en datief enkelvoud mannelijk en onzijdig (de, het) arch.     ♢ Op den...

2024-02-28
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

den

den - zelfstandig naamwoord 1. naaldboom met naalden die in groepjes van twee aan de takken zitten ♢ we haalden een den uit de tuin en gebruikten die als kerstboom 1. een slanke den [iemand die slank is]...

2024-02-28
Art & Architecture Thesaurus

Getty Research Institute (1990)

den

den - Kleine, informele privévertrekken in huizen of appartementen die worden gebruikt om in te werken, te lezen of te ontspannen.

2024-02-28
Encyclopedie voor Zelfstudie

drs. L.A. Beeloo (1981)

Den

De den vormt in Midden- en Noord-Europa uitgestrekte naaldbossen. Men plant hem bij voorkeur op zandgrond, waar de andere bosbomen niet willen groeien. Met zijn reusachtig wortelstelsel haalt hij uit de schraalste bodem water en voedsel. Zijn stam kan een hoogte bereiken van meer dan 40 m. Eén soort is naar alle waarschijnlijkheid inheems, n...

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-28
Yiddish Slang

Fred Kogos (1966)

Den

Adverb used with questions to connote about (for example: “vo den?” for what else? “vi den” for how else?); then.

2024-02-28
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar (1936)

den

lidw., de, in combinatie met een datum in de 3e of 4e naamval. Ze hebben gezegd, ik moet terug komen den 5e! (Cairo 1980b: 41). -Opm.: Ook in spreektaal. denim (uitspr. dee’nim), 1. (zn.; de), spijkergoed, ‘jeans’ (een soort gekeperd katoen). Eén van hen kwam tegen vijf uur langs, een lange knul in helblauw denim met ee...

2024-02-28
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

den

naaldhout; boomsoort.

2024-02-28
Agrarisch Encyclopedie

Veerman (1954)

Den

Naam die ten onrechte vaak wordt gegeven aan vertegenwoordigers van het gesl. Pinus. Het dennenhout is afkomstig van Abies en het is juister alleen vertegenwoordigers hiervan d. te noemen.

2024-02-28
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Den

s., din(nebeam).

2024-02-28
Woordenboek Engels (EN-NL)

Dr. F.P.H. van Wely (1951)

Den

hol, hok, kuil; kast: kamer.

2024-02-28
De Kleine Winkler Prins

Winkler Prins (1949)

Den

is de oude naam, die in het spraakgebruik nog veel voorkomt voor de Naaldbomen van het geslacht Pinus. Men spreekt tegenwoordig van Pijnboom*.

2024-02-28
Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

DEN

naam van de naaldhoutbomen, behorende tot het geslacht Pinus van de familie der Pinaceae (klasse der Coniferen). In de volksmond verkeerdelijk gebruikt voor naaldhoutbomen die tot verschillende geslachten behoren. Het geslacht Pinus telt een 80-tal soorten, die op een enkele uitzondering na op het noordelijk halfrond voorkomen en veel...

2024-02-28
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

den

m. dennen, dennetje (naamv. verschillende soorten v. naaldbomen; Lat. pinus).

2024-02-28
Encyclopedie voor Iedereen

John Kooy (1933)

Den

→ Pinus.

2024-02-28
Katholieke Encyclopaedie

Uitgeverij Joost van den Vondel (1933-1939)

Den

Den - (Pinus), ook pijn genoemd, is een naaldboomgeslacht van de familie der Pinaceae. Met een 70-tal soorten bewoont hij het Noordelijk halfrond. Reusachtig groote gebieden der gematigde streken in Amerika, Azië en Europa zijn er mee bedekt. Deze altijdgroene boomen bestonden reeds in overoude tijden en men neemt aan, dat het barnsteen van Pi...

2024-02-28
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

den

m. (-nen; -netje) in Midden- en Noord-Europa voorkomend plantengeslacht van naaldbomen met geschilferde stam, het groen vooral in de top, en de naalden bij tweeën in één schede : soorten van -nen zijn de grove en de zee-.

2024-02-28
Oosthoek encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Den

Den, de naam, die even als de naam Spar in den volksmond wordt gegeven aan haast alle naaldboomen. Feitelijk zouden slechts d. genoemd moeten worden alle Pinus-soorten, waartoe de gewone in ons land meest voorkomende Grove-den (Pinus silvestris) behoort. Sommigen rekenen ook de Abies-soorten (o. a. de zilverspar of zilverden, A. pectinata) tot de d...

2024-02-28
Vivat's Geïllustreerde Encyclopedie

J. Kramer (1908)

Den

denneboom, pijnboom, plantengeslacht, zie Pinus.

2024-02-28
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Den

Het begrip den heeft 2 verschillende betekenissen: 1. den - DEN, m. (-nen), kegeldragende boom in Midden- en Noord-Europa: de grove den (pinus silvestris) en de zeeden (pinus pinaster). 2. den - DEN m. (-nen), bergzolder, bergvloer; inz. zoutbergplaats; (gew.) dorschvloer.

2024-02-28
Winkler Prins

Anthony Winkler Prins (1870)

Den

(Pinus sylvestris L.), zie Pijnboom.