Wat is de betekenis van Den?

2019
2022-08-17
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

den

den - Zelfstandignaamwoord 1. (plantkunde) Pinus soort naaldboom     ♢ O dennenboom! O dennenboom! wat zijn je takken wonderschoon. den - Lidwoord 1. (in vaste uitdrukkingen) accusatief en datief enkelvoud mannelijk en onzijdig (de, het) arch.     ♢ Op den...

Lees verder
2018
2022-08-17
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

den

den - zelfstandig naamwoord 1. naaldboom met naalden die in groepjes van twee aan de takken zitten ♢ we haalden een den uit de tuin en gebruikten die als kerstboom 1. een slanke den [iemand die slank is]...

Lees verder
1990
2022-08-17
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

den

den - Kleine, informele privévertrekken in huizen of appartementen die worden gebruikt om in te werken, te lezen of te ontspannen.

1981
2022-08-17
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Den

De den vormt in Midden- en Noord-Europa uitgestrekte naaldbossen. Men plant hem bij voorkeur op zandgrond, waar de andere bosbomen niet willen groeien. Met zijn reusachtig wortelstelsel haalt hij uit de schraalste bodem water en voedsel. Zijn stam kan een hoogte bereiken van meer dan 40 m. Eén soort is naar alle waarschijnlijkheid inheems, n...

Lees verder
1954
2022-08-17
Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Den

Naam die ten onrechte vaak wordt gegeven aan vertegenwoordigers van het gesl. Pinus. Het dennenhout is afkomstig van Abies en het is juister alleen vertegenwoordigers hiervan d. te noemen.

Lees verder
1952
2022-08-17
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Den

s., din(nebeam).

1951
2022-08-17
Engels

Woordenboek Engels (1951)

Den

hol, hok, kuil; kast: kamer.

1949
2022-08-17
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Den

is de oude naam, die in het spraakgebruik nog veel voorkomt voor de Naaldbomen van het geslacht Pinus. Men spreekt tegenwoordig van Pijnboom*.

1947
2022-08-17
Winkler Prins Encyclopedie

Winkler Prins 1947

DEN

naam van de naaldhoutbomen, behorende tot het geslacht Pinus van de familie der Pinaceae (klasse der Coniferen). In de volksmond verkeerdelijk gebruikt voor naaldhoutbomen die tot verschillende geslachten behoren. Het geslacht Pinus telt een 8o-tal soorten, die op een enkele uitzondering na op het noordelijk halfrond voorkomen en veelal voor de hou...

Lees verder
1937
2022-08-17
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

den

m. dennen, dennetje (naamv. verschillende soorten v. naaldbomen; Lat. pinus).

1933
2022-08-17
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Den

→ Pinus.

1933
2022-08-17
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Den

Den - (Pinus), ook pijn genoemd, is een naaldboomgeslacht van de familie der Pinaceae. Met een 70-tal soorten bewoont hij het Noordelijk halfrond. Reusachtig groote gebieden der gematigde streken in Amerika, Azië en Europa zijn er mee bedekt. Deze altijdgroene boomen bestonden reeds in overoude tijden en men neemt aan, dat het barnsteen van Pi...

Lees verder
1916
2022-08-17
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Den

Den, de naam, die even als de naam Spar in den volksmond wordt gegeven aan haast alle naaldboomen. Feitelijk zouden slechts d. genoemd moeten worden alle Pinus-soorten, waartoe de gewone in ons land meest voorkomende Grove-den (Pinus silvestris) behoort. Sommigen rekenen ook de Abies-soorten (o. a. de zilverspar of zilverden, A. pectinata) tot de d...

Lees verder
1898
2022-08-17
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Den

Het begrip den heeft 2 verschillende betekenissen: 1. den - DEN, m. (-nen), kegeldragende boom in Midden- en Noord-Europa: de grove den (pinus silvestris) en de zeeden (pinus pinaster). 2. den - DEN m. (-nen), bergzolder, bergvloer; inz. zoutbergplaats; (gew.) dorschvloer.

Lees verder
1870
2022-08-17
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Den

(Pinus sylvestris L.), zie Pijnboom.