Wat is de betekenis van degelijk?

2019
2022-01-22
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

degelijk

degelijk - Bijvoeglijk naamwoord 1. goed tegen een stootje kunnend, niet snel kapot gaand     ♢ Die degelijke tent is bestand tegen de storm. 2. (van personen) eerlijk, oprecht, net in zijn manieren, saai     ♢ Als je niet met een degelijk iemand trouwt, zal ik je onterve...

Lees verder
2018
2022-01-22
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

degelijk

degelijk - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: de-ge-lijk 1. duidelijk en met kracht ♢ ik heb haar eens degelijk toegesproken 2. met een goede kwaliteit ♢ dit is een degelijk apparaat ...

Lees verder
2001
2022-01-22
Filosofisch woordenboek

Paul Frentrop - Voor rede vatbaar

Degelijk

Van de libelle is de bouw de afgelopen 150 miljoen jaar niet meer veranderd. De schorpioen en de duizendpoot zijn modellen die al 400 miljoen jaar standhouden. Net als een vleesetende borstelworm die zich verstopt houdt in het zand op de zeebodem en soms naar boven schiet om een voorbijzwemmend visje te grijpen met zijn dolkscherpe kaken. Deze dier...

Lees verder
1980
2022-01-22
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

degelijk

zie terdege

1973
2022-01-22
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Degelijk

bn. en bw. (-er, -st), 1. niet door fraaie uiterlijke schijn misleidend maar inderdaad zo dat het aan zijn bestemming geheel voldoet, dat men erop vertrouwen kan, goed, deugdelijk: degelijk fabrikaat; een degelijke voeding; onderwijs; een degelijke leiding; degelijke mensen, maatschappelijk betrouwbaar en in geen enkel opzicht buitensporig; geregel...

Lees verder
1952
2022-01-22
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Degelijk

adj. & adv., deeglik, deugdsum, dreech, tige, kreep, biklonken; (v. gehalte), streksum, dreech; — door ondervinding, bigeard; — kennen, ût ’e pin kenne.

1950
2022-01-22
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Degelijk

bn. bw. (-er, -st), 1. niet door fraaie uiterlijke schijn misleidend maar inderdaad zo dat het aan zijn bestemming geheel voldoet, dat men er op vertrouwen kan, goed, deugdelijk : degelijk fabrikant; een degelijke voeding ; degelijk onderwijs ; een degelijke leiding ; degelijke mensen, maatschappelijk betrouwbaar...

Lees verder
1937
2022-01-22
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

degelijk

1 bn. (1 waarop men staat kan maken; 2 met toewijding, ernst verricht; 3 bruikbaar en duurzaam); 1 Hollands -; een e koopman; 2 - werk, -e arbeid; 3 -e klederen, - goed; 2 bw. (1 op solide, stevige, deugdelijke wijze; 2 in hoge mate; flink); 1 een - gebouwd huis; 2 zijn hart eens - ophalen; zegsw. wel -, wel zeker (sterke bevestiging); iets w...

Lees verder
1898
2022-01-22
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Degelijk

DEGELIJK, bn. bw. (-er, -st), niet door fraaien uiterlijken schijn misleidend, maar inderdaad zoo, dat het aan zijne bestemming voldoet, dat men erop vertrouwen kan degelijk fabrikaat, eene degelijke voeding, degelijk onderwijs, eene degelijke leiding; — degelijke menschen, waar men staat op kan maken, brave menschen; — een degelijk ha...

Lees verder