Wat is de betekenis van deftig?

2019
2021-04-15
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

deftig

deftig - Bijvoeglijk naamwoord 1. waardig, voornaam, statig, van goede komaf, erg netjes, bekakt     ♢ De deftige man sprak heel bekakt. Woordherkomst afgeleid van deft met het achtervoegsel -ig

Lees verder
2018
2021-04-15
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

deftig

deftig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: def-tig 1. als (van) iemand die hooggeplaatst is ♢ hij droeg een deftig pak op de bruiloft Bijvoeglijk naamwoord: def-tig ... is deftiger dan ... ...

Lees verder
2015
2021-04-15
Typisch Vlaams

Door Ludo Permentier en Rik Schutz

deftig

flink, intensief (informeel) Al na drie ronden voelde ik dat het niet goed zat. Het tempo lag laag en toch moest ik afhaken. Ik hoop nu om snel terug gezond te worden zodat ik eindelijk terug wat deftig kan trainen. (Gazet van Antwerpen) Vorig jaar en in het begin van dit seizoen stonden de Brusselaars er bij de buitenwerel...

Lees verder
1980
2021-04-15
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Deftig

Er zijn bijvoeglijke naamwoorden die, meestal met betekenisverschil, voorkomen met en zónder het achtervoegsel -ig. Men vergelijke goed met goedig, vies met viezig, droef met droevig, nat met nattig, zoet met zoetig, levend met levendig en best met bestig. Zo heeft naast deftig vroeger ook een woord deft bestaan, door Vondel nog gebruikt. No...

Lees verder
1973
2021-04-15
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

deftig

bn. en bw. (-er, -st), 1. tot de aanzienlijke stand behorend; een zekere waardigheid en statigheid van manieren vertonend zoals iemand uit die stand: een deftige matrone; de deftige stand; van deftige familie zijn; zoals men dat in de genoemde stand vindt, gewoon is: deftige meubels; een deftige begrafenis; gekleed zijn; statig, waardig, afgemeten:...

Lees verder
1952
2021-04-15
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Deftig

adj. & adv., deftich, ynfieren, krudich, eptich, proastich, prûstich, treftich, trinten, steatlik, hearich, twang jenten; — praten, heech prate; -e woorden, hege wurden.

1950
2021-04-15
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Deftig

bn. bw. (-er, -st), 1. tot de aanzienlijke, gegoede stand behorend, een zekere waardigheid en statigheid van manieren vertonend zoals iem. uit die stand : een deftige matrone; de deftige stand; van deftige familie zijn; — zoals men dat in de gen. stand vindt, gewoon is : deftige meubels, een deftige begrafenis, deftig gekleed zijn...

Lees verder
1939
2021-04-15
Humoristisch woordenboek

Amusant-Zorgenverdrijvend Woordenboek (De Kolibri)

Deftig

Verstarring als familiekwaal.

1919
2021-04-15
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Deftig

had vroeger behalve de bet.: van aanzienlijken stand, en dit door manieren en voorkomen toonend, en van: plechtig, afgemeten, vormelijk, ook nog vele andere schakeeringen. o. a.: verstandig, bezadigd, zedig, ingetogen, plechtig, statig, ernstig, zinrijk, edel, verheven, degelijk, deugdelijk, aanzienlijk, gewichtig, belangrijk; ’t is ontleend...

Lees verder
1898
2021-04-15
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Deftig

DEFTIG, bn. bw. (-er, -st), tot den aanzienlijken, gegoeden stand behoorend en eene zekere waardigheid en statigheid van manieren vertoonend eene deftige matrone; de deftige stand; van deftige familie zijn; — zooals men dat in den deftigen stand vindt, gewoon is deftige meubels, eene deftige begrafenis, deftig gekleed zijn; — statig, w...

Lees verder