Wat is de betekenis van Deerlijk?

2019
2021-01-15
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

deerlijk

deerlijk - Bijvoeglijk naamwoord 1. dat iets vervelend is en pijn doet, deernis wekkend     ♢ Van Loon praat snel, voor het komisch effect, om daarna te kunnen vertragen, voor het dramatisch effect, maar doet dat zo slordig dat die techniek eerder tegen hem werkt. Ter afwisseling zingt hij liedjes, zoals een k...

Lees verder
1980
2021-01-15
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Deerlijk

In het hedendaagse taalgebruik wordt deerlijk alleen nog gebezigd als versterking. Men zegt: hij heeft zich deerlijk vergist, zich deerlijk misrekend, en deerlijk betekent dan niet meer dan: erg, geducht. Maar natuurlijk hoort deerlijk bij het werkwoord deren: pijn doen, letsel toebrengen (wat niet weet wat niet deert), evenals deernis: ontroering,...

Lees verder
1973
2021-01-15
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

deerlijk

bn. en bw. (-er, -st), 1. wat deert; jammerlijk, bedroevend: het slagveld leverde een schouwspel op; (zwakker) geducht: een deerlijke misrekening; 2. op deerniswekkende wijze, in zulk een mate; (verzwakt) in hoge mate: het schip was gehavend; ze hebben hem toegetakeld; ik heb me in hem vergist, erg (en tot mijn spijt).

Lees verder
1950
2021-01-15
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Deerlijk

bn. bw. (-er, -st), 1. wat deert, jammerlijk, bedroevend: ’t slagveld leverde een deerlijk schouwspel op; — (zwakker) geducht: een deerlijke misrekening; 2. op deerniswekkende wijze, in zulk een mate; (verzwakt) in hoge mate: 't schip was deerlijk gehavend; ze hebben hem deerlijk toegetakeld;...

Lees verder
1949
2021-01-15
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Deerlijk

gemeente in België, prov. W.-Vlaanderen. 1680 ha, 8114 inw. Zandgrond. Veeteelten landbouw, textiel- en oliefabrieken. Geboorteplaats van Hugo Verriest en René de Clercq.

Lees verder
1933
2021-01-15
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Deerlijk

Deerlijk - gem. in West-Vlaanderen, ten N.O. van Kortrijk; opp.: 1 680 ha; ca. 6 500 inw. Zandgrond. Weefnijverheid. Gaverkasteel. Kapel van O.L.V. van Rust (1639). Geboortedorp van Hugo Verriest (1840— 1922) en van René De Clercq (1877—1932).

Lees verder
1898
2021-01-15
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Deerlijk

DEERLIJK, bn. bw. (-er, -st), jammerlijk, bedroevend ‘t slagveld leverde een deerlijk schouwspel op; — in hooge mate ‘t schip was deerlijk gehavend; ze hebben hem deerlijk toegetakeld; — ik heb me deerlijk in hem bedrogen, erg (en tot mijne spijt); — ge vergist u deerlijk, ge zijt ver bezijden de waarheid: — (...

Lees verder
1898
2021-01-15
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Deerlijk

zie Bedroevend.