Danken
(dankte, heeft gedankt), 1. dank betuigen: iem. (voor iets) danken; gij hebt niet te danken; God danken, meest oneig.: ik dank God dat ik daar af ben; 2. na het eten een gebed doen: hebt gij al gedankt? — er is voor die zieke gedankt, de predikant heeft in de kerk voor zijn herstelling een dankgebed uitgesproken; 3. onder dankzegging afslaan;...