Dan
I. bw., 1. op dat toekomstig tijdstip dat tevoren aangeduid is of uit het verband blijkt: morgen hebben we vacantie, dan gaan we naar Scheveningen; — hij schreef mij, dat hij dan en dan zou komen, op die (door hem genoemde, maar nu door mij verzwegen) tijd ; — tot dan, tot die tijd; — nu en dan, van tijd tot tijd; — ook : in...