Wat is de betekenis van dageraad?

2020
2022-10-03
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

dageraad

ochtendgloren. gedeelte van de dag tussen de nacht en de volle dag, gekenmerkt door het beginnende daglicht dat aanvankelijk schemert en geleidelijk sterker wordt tijdens de zonsopgang, resp., als plaatsvindend verschijnsel of gebeurtenis: het aanbreken van de dag, het verschijnen van het eerste morgenlicht. Voorbeelden: Telkens geto...

Lees verder
2019
2022-10-03
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

dageraad

dageraad - Zelfstandignaamwoord 1. het aanbreken van de dag Woordherkomst samenstelling van daag(werkwoord) en raad met het invoegsel -e- ?? samenstelling van dag en raad met het invoegsel -e- Synoniemen ochtendgloren, morgenstond, ochtendschemering

Lees verder
2018
2022-10-03
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

dageraad

dageraad - zelfstandig naamwoord uitspraak: da-ge-raad 1. het aanbreken van de dag ♢ kort voor de dageraad vond er een inval plaats Zelfstandig naamwoord: da-ge-raad de dageraad

Lees verder
1973
2022-10-03
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Dageraad

m., het aanbreken van de dag: de rozige als tijdstip: met de als tijdruimte, morgenschemering: in de dageraad; (fig.) de van het leven, de kindsheid; de van de vrijheid, haar eerste stralen, het begin.

1958
2022-10-03
Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

DAGERAAD

Vrijdenkersvereniging opgericht in 1856 op instigatie van de natuuronderzoeker Junghuhn. De D. trachtte de waarheid te zoeken langs natuurlijke en redelijke weg. Haar orgaan heette ook ‘De D.' (later ‘De Vrijdenker’). Men zocht contact met de opkomende arbeidersbeweging (F. Domela Nieuwenhuis, Vitus Bruinsma). Ook door uitgi...

Lees verder
1952
2022-10-03
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Dageraad

s., dage, dei, moarndage, moarntiidsrea (it).

1950
2022-10-03
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Dageraad

m., het aanbreken van de dag: de rozige dageraad; — als tijdstip: met de dageraad; als tijdruimte, morgenschemering: in de dageraad; — (fig.) de dageraad des levens, de kindsheid; — de dageraad der vrijheid, haar eerste stralen, het begin; — (w. g.) hij lacht als de duivel tegen de dager...

Lees verder
1937
2022-10-03
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

dageraad

m. (1 begin v.d. ochtend; 2 [veelbelovend] begin): 1 derozenvingerige -; 2 de - des levens, de kindsheid; de - der vrijheid.

Lees verder
1933
2022-10-03
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Dageraad

Dageraad - Ook morgenschemering, is de tijdruimte tusschen de eerste verschijning van het daglicht en den opgang van de zon. → Schemering.

1930
2022-10-03
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

dageraad

('da:gəra:t) m. (...raden) 1. Eig. beginnend daglicht: de rozige -; met de opstaan. Syn. morgen, ochtend. 2. Metf. eerste begin : de des levens; de der wijsheid.

Lees verder
1926
2022-10-03
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Dageraad

Hij ontstaat door het licht der opgaande zon, hetwelk de lagere luchtmassa doorbreekt, zoodat het ons naar de gesteldheid der lucht rood of roodachtig geel toeschijnt. Deze laatste kleur, die het oog na de duisternis van den nacht zoo zeer bekoort, is in de Heilige Schrift het beeld van het aangezicht des Heeren, dat zich weder genadig keert tot zi...

Lees verder
1908
2022-10-03
Vivat

Schrijver op Ensie

Dageraad

morgenschemering, het licht dat het volle zonlicht bij het opgaan der zon voorafgaat; veelvuldig in figuurlijken zin gebezigd. Ook naam van een genootschap in Nederl., zie Vrije gedachte.

1898
2022-10-03
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Dageraad

DAGERAAD, m. het aanbreken van den dag: de rozige dageraad; — (fig.) de dageraad des levens, de kindsheid; — de dageraad der vrijheid, het eerste stralen, het begin; — (w. g.) hij lacht als de duivel tegen den dageraad, hij grijnslacht.

Lees verder
1864
2022-10-03
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Dageraad

Dageraad, m. gmv. het aanbreken van den dag; (fab.) Aurora.