Wat is de betekenis van dadelijk?

2025-12-04
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Dadelijk

I. bn. 1. uit één of meer daden bestaande, zich in daden uitend: iedere dadelijke poging; — feitelijk, werkelijk; — (R.-K.) dadelijke zonde, die wij zelf begaan, door eigen daad, in tegenst. met erfzonde. 2. aanstonds werkend of plaats hebbend, onmiddellijk: dat levert geen dadelijk nut....

2025-12-04
Algemeen Nederlands Woordenboek

Algemeen Nederlands Woordenboek (2009-heden)

dadelijk

Het begrip dadelijk heeft 3 verschillende betekenissen: 1) meteen op dat moment; onmiddellijk. direct; meteen; meteen op dat moment; onmiddellijk; subiet. Attributief gebruik bij een substantief komt weinig voor (is verouderend), in het Nederlands-Nederlands nog minder dan in het Belgisch-Nederlands. 2) zo meteen; zo dadelijk....

2025-12-04
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

dadelijk

dadelijk - Bijwoord 1. spoedig.     ♢ Hij zal dadelijk wel komen. 2. als je niet oppast, als je zo doorgaat     ♢ Dadelijk breekt het glas. Woordherkomst afgeleid van daad met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e- Verwante begrippen aanstonds,...

2025-12-04
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

dadelijk

dadelijk - bijwoord uitspraak: da-de-lijk 1. zonder te wachten ♢ wil je dadelijk komen! 2. over een poosje ♢ wacht even, ik kom dadelijk wel Bijwoord: da-de-lijk Synoni...

2025-12-04
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar (1936)

dadelijk

bw., straks, over een tijdje (nooit: onmiddellijk). Ga je mee? Nee, dadelijk. Etym.: In AN veroud. Zie ook: straks.

2025-12-04
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Dadelijk

adv., daedlik, daelk, daliks, op slach (en stel), op stel en sprong, op ('e) sté, fuort, fuortendalik(s), fuortynienen.

2025-12-04
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

dadelijk

1 bn. (1 werkelijk; 2 onmiddellijk; rechtstreeks werkend): 1 in die steden is nog geen -e nood; -e liefde, die zich door daden toont; 2 -e hulp; 2 bw. (1 onmiddellijk; 2 binnen zeer korte termijn): 1 ge moet - komen; 2 kom beneden! ik kom nog: -e zonde, die men nl. zelf begaat (tegenst. erfzonde),

2025-12-04
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

dadelijk

('da:dələk) I. bn. en bw. 1. zich door daden uitend : -e liefde. 2. door eigen daad bedreven : -e zonde. Tgst. erfzonde. 3. onmiddellijk : nut; ik zal u antwoorden. II. bw. op dit eigen ogenblik : kom -. Syn. → aanstonds.

2025-12-04
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Dadelijk

I. bn., 1. uit een of meer daden bestaande, zich in daden uitend: iedere dadelijke poging; feitelijk, werkelijk; 2. aanstonds werkend of plaatshebbend, onmiddellijk: dat levert geen nut op; II. bw., 1. bepaald, eigenlijk: niet dadelijk mooi, maar toch wel aardig; aanstonds, onmiddellijk: ik zal u dadelijk antwoorden; kom je haast? ja dadelijk.

2025-12-04
Etymologisch Woordenboek

Instituut voor de Nederlandse taal

dadelijk

dadelijk bn. 'aanstonds, meteen' categorie: geleed woord Vnnl. daadlik 'werkelijk, metterdaad' [eind 16e eeuw; WNT waarheid], datelijk 'meteen, onmiddellijk' [1596; WNT uitnemend], daedelick 'id.' [1608; WNT transporteeren]. Afleiding met het achtervoegsel ...

Wil je toegang tot alle 19 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2025-12-04
Handwoordenboek van Nederlandsche synoniemen

J.V. Hendriks (1898)

Dadelijk

zie Aanstonds.