Dadelijk
I. bn. 1. uit één of meer daden bestaande, zich in daden uitend: iedere dadelijke poging; — feitelijk, werkelijk; — (R.-K.) dadelijke zonde, die wij zelf begaan, door eigen daad, in tegenst. met erfzonde. 2. aanstonds werkend of plaats hebbend, onmiddellijk: dat levert geen dadelijk nut....