Wat is de betekenis van centrum?

2019
2020-11-26
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

centrum

centrum - Zelfstandignaamwoord 1. middelpunt,in het midden gelegen Utrecht ligt niet alleen maar in het centrum van de provincie maar ook in het centrum van Nederland. 2. binnenstad Hij woont in het centrum van Almelo. 3. plaats waar bepaalde a...

Lees verder
2018
2020-11-26
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

centrum

centrum - zelfstandig naamwoord uitspraak: cen-trum 1. punt of gebied in het midden ♢ het station ligt in het centrum van de stad 2. gebouw met een speciale bestemming ♢ een winkelcentrum...

Lees verder
1973
2020-11-26
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

centrum

centrum - [Gr.], o. (centra, -s), 1. middelpunt, verenigingspunt; 2. om het middelpunt gelegen deel: het — van een stad, van een land; middengedeelte van een leger te velde en van een oorlogsvloot; 3. punt vanwaar werkingen uitgaan, resp. waar zij samenkomen: de grote steden zijn de centra van de beschaving; (anatomie) deel van de hersenen...

Lees verder
1955
2020-11-26
Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

CENTRUM

politieke groepering, ontstaan in het midden van de 19de eeuw in Pruisen, was geen confessioneel-katholieke partij, maar bevatte wel hoofdzakelijk Katholieken. De partij zocht voor zich een plaats tegenover de geweldpolitiek van Bismarck in land- en rijksdag, vooral na de annexatie van Hannover, uit welk land het ook zijn leider Windthorst kreeg, e...

Lees verder
1949
2020-11-26
Vreemde woorden in de Natuurkunde

Prof. Dr. P.H. van Laer

Centrum

(Lat.; = Gr. xévrpov (kéntron)). Middelpunt, vast punt. Hiervan afgeleid het adjectief centrisch.

Lees verder
1949
2020-11-26
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Centrum

(1), benaming voor die partijen, welke tussen rechts en links een middenstandpunt innemen, vooral gebruikelijk in Frankrijk en Spanje. In Ned. sprak men voorheen nooit van C.; tegenwoordig duidt men als zodanig de Christelijk-Historische Unie en de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie wel aan. In Duitsland heette van 1870-1933 de R.K. partij het...

Lees verder
1948
2020-11-26
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

centrum

(Lat.) o. middelpunt, punt v. vereniging; (in politieke zin:) het midden v. d. vergaderzaal der afgevaardigden in een parlement; (in Duitsland;) voormalige club der Katholieke Rijksdagleden; gematigde partij, tussen de oppositie en de regeringspartij.

1942
2020-11-26
Vreemde woorden in de Sterrenkunde

Prof. Dr. P.H. van Laer

Centrum

(Lat.; = Gr. xévvpov (kentron)). Middelpunt.

1933
2020-11-26
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Centrum

Centrum - 1° (wiskunde) → Middelpunt. 2° Naam van politieke partij en in vsch. landen, afgeleid van de zitplaats van haar afgevaardigden in de vergaderzalen der Kamer. Meest bekend is het Duitsche Centrum. Deze partij streefde naar doorvoering der Katholieke beginselen in Staat en Maatschappij. Reeds in 1848, in het Bondsparlement te F...

Lees verder
1923
2020-11-26
Uitheemsche geneeskunde termen

dr. H. Pinkhof, 2e druk 1935

Centrum

(Lat.), middelpunt, a. in de ontleedk., C. nervósum Willisii, ganglion solare. C. semiovale Vieussenii s. Vicq d’Azyr, de witte stof der grote hersenen, zoals men die op een horizontale doorsnede ter hoogte van de bovenvlakte van de balk ziet. C. tendinéum, zie Diaphragma. b. in de physiologie, een plaats in het centrale zenuwst...

Lees verder
1916
2020-11-26
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Centrum

Centrum - politieke partij van den Duitschen Rijksdag en van de landdagen van Pruisen, Beieren, Württemberg, Baden, Elzas-Lotharingen, Hessen, Oldenburg; kwam voort uit de noodzakelijkheid voor de Pruisische en alle Duitsche Katholieken, rechten en vrijheden der Kerk op den door de grondwetten verkregen rechtsbodem parlementair te verdedigen. Reeds...

Lees verder
1914
2020-11-26
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

centrum

centrum - o., middelpunt; punt van vereeniging; staatkundigepartij, die in het parlement in’t midden zetelt; in den Duitschen Rijksdag de Katholieken.

1910
2020-11-26
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Centrum

Centrum - het vereenigingspunt, het middelpunt, het centrum van het land, van den handel.

1898
2020-11-26
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Centrum

CENTRUM, o. (-s, centra), middelpunt, vereenigingspunt: in het centrum van eene stad, van een land; de groote steden zijn de centra der beschaving; — plaats waar in eene landsvergadering de aanhangers van het bewind zitten; de gematigde partij in zulk eene vergadering; in den Duitschen Rijksdag en elders de R.-K. partij; — de pen in he...

Lees verder
1870
2020-11-26
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Centrum

Centrum of middelpunt wordt in de wis- en natuurkunde in eigenlijken, doch elders ook in overdragtelijken zin gebruikt. In de geometrie is het centrum een punt, dat alle regte lijnen midden doordeelt, welke, door dat punt gelegd, twee punten van den omtrek of van de oppervlakte verbinden; — eigenlijk is het een punt, dat van alle punten van den omt...

Lees verder
1864
2020-11-26
Beknopt kunstwoordenboek

Beknopt kunstwoordenboek, I.M. Calisch (1864)

centrum

centrum - o. (centrums, centra), middelpunt, vereenigingspunt; plaats waar in eene landsvergadering de aanhangers van het bewind zitten; de gematigde partij in zulk eene vergadering