Wat is de betekenis van casus?

2022
2022-12-04
Orthodontisch woordenboek

Dr. H.J. Remmelink

Casus

Beschrijving van patiëntenbehandeling.

2019
2022-12-04
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

casus

casus - Zelfstandignaamwoord 1. (taalkunde) een naamval De Duitse zwakke flexie drukt namelijk nog een casus- en getalsonderscheid uit, al is het aantal distincties dat door de zwakke flexie wordt uitgedrukt aanzienlijk lager dan in de sterke flexie. 2. (wetenschap) een of meer concrete vo...

Lees verder
2000
2022-12-04
Basisboek Recht

Basisboek Recht

Casus

Geval.

1994
2022-12-04
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Casus

[Lat., van cadere, casum = vallen] 1. geval; ook: toeval (vgl. casueel); casus belli, directe aanleiding tot oorlog; 2. naamval.

Lees verder
1993
2022-12-04
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Casus

naamval; geval

1973
2022-12-04
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Casus

[Lat., geval], m. (-sen of casus), 1. naamval; 2. geval; casus non dabilis, ondenkbaar, onbestaanbaar geval.

Lees verder
1955
2022-12-04
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Casus

geval, voorval; toeval; naamval; casus belli: reden tot oorlog; casus foederis: geval waar bondgenoot te hulp moet komen.

1954
2022-12-04
Medisch Encyclopedie 1954

Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Casus

ziektegeval, alle bijzonderheden van de bepaalde ziekte van een bepaalde patiënt, afgezien van de menselijke (resp. ecologische) aspecten ervan. zie ook casuïstiek en ecologie. Vgl. patiënt.

1950
2022-12-04
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Casus

(Lat.), m., 1. (taalk.) naamval; 2. geval; casus criticus, kritiek geval; — casus belli, onmiddellijke aanleiding tot oorlog; casus foederis, geval waarin het in een verdrag gestipuleerde in werking treedt, inz. waarin gewapende hulp verleend moet worden ; — casu quo, in welk geval.

Lees verder
1949
2022-12-04
Woordenboek Latijn

Geschreven door Dr. J.F.L. Montijn

Cāsŭs

ūs, m. I. in ’t alg., het vallen, de val, a. eig., zowel het neervallen, als het omvallen; (van een jaargetijde) het ten einde lopen ; (als grammaticale term) casus, naamval. b. overdr., het vallen (in een ongunstiger toestand), val. | geval, intrede, mortis, Cic.; gelegenheid, die zich tot iets aanbiedt, navigandi, Cic.; geb...

Lees verder
1949
2022-12-04
De Kleine Winkler Prins

Encyclopedie van A tot Z - 1949

Casus

(lat.) geval, voorval, toeval; (1) (rechtskundig) rechtsgeval, gedingstof; (2) (taalkundig) naamval.

Lees verder
1948
2022-12-04
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

casus

(Lal.) m. 1 geval, voorval; 2 toeval; 3 naamval; ~ belil, reden tot oorlog; ~ criticus, kritiek geval.

Lees verder
1939
2022-12-04
Vreemde woorden in de wiskunde

Dr. E.J. Dijksterhuis - 1939

Casus

(Lat. casus < cadere — vallen; als techn. term vertaling van Gr. — geval; < = vallen). Vb. Casus irreducibilis van de vergelijking van den derden graad. Casus ambiguus = twijfelachtig geval bij de berekening van vlakke of sferische driehoeken.

Lees verder
1937
2022-12-04
Scholastiek Lexicon

Latijns-Nederlandsch

CASUS

Geval. Omne ... quod non habett causam determinatam, casu accidunt, S. THOMAS, QU. DISP. DE VERITATE Q. 5, A. 2, C., AI wat geen bepaalde oorzaak heeft geschiedt gevallijkerwijze. Ea ..., quae casu accidunt, proveniunt ut in minori parte, IBIDEM, Wat gevallijkerwijze geschiedt blijft uitzondering.

Lees verder
1937
2022-12-04
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

casus

m. (Lat. geval, voorval; toeval; naamval); een casus criticus, kritiek geval; een casus belli, onmiddellijke aanleiding tot oorlog.

1933
2022-12-04
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Casus

Casus - ➝ Naamval.

1930
2022-12-04
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

casus

m. (-sen, -) [Lat.] 1. geval. 2. toeval. 3. Taalk. naamval.

Lees verder
1916
2022-12-04
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Casus

Casus - (Lat.), geval, toeval, voorval aanleiding; C. belli, geval, dat een oorlogsverklaring wettigt. C. foederis, geval, in bondsverdrag voorzien en waarin veelal, op grond van dat verdrag, gezamenlijk moet worden gehandeld. Casu, bij toeval. Als grammaticale term: zie NAAMVAL.

1914
2022-12-04
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

casus

casus - m., geval, voorval ; toeval ; naamval ; „casus belli” ; reden tot oorlog.

1910
2022-12-04
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Casus

Casus - toeval, geval.