Wat is de betekenis van buiig?

2019
2021-05-15
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

buiig

buiig - Bijvoeglijk naamwoord 1. regenachtig, met buien In die buiige periode gebeurden er veel ongelukken. Woordherkomst Afleiding van bui met het achtervoegsel -ig.

Lees verder
2018
2021-05-15
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

buiig

buiig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: bui-ig 1. met regen ♢ we hadden geen mooi weer gisteren, het was buiig Bijvoeglijk naamwoord: bui-ig de/het buiige ... Synoniemen regenachtig

Lees verder
1993
2021-05-15
Peter Timofeeff

Prisma van het Weer

Buiig

Weerbeeld, waarbij buien een grote rol spelen. Er zijn droge perioden, maar van tijd tot tijd valt er een bui.

1973
2021-05-15
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

buiig

buiig - bn. (-er, -st), ongestadig, veranderlijk, regenachtig, winderig (van het weer); (fig.) lijdend aan stemmingen: hij is —, wisselend van humeur.

1952
2021-05-15
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Buiïg

adj., buijich, buoijich, ûnlijich, suterich; (van humeur), ritich.

1950
2021-05-15
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Buiig

bn. (-er, -st), ongestadig, veranderlijk, regenachtig, winderig (van het weer).

1898
2021-05-15
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Buiig

BUIIG, bn. (-er, -st), ongestadig, veranderlijk, regenachtig, winderig (van het weder).