Wat is de betekenis van bruid?

2020
2022-09-29
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

bruid

vrouw op haar huwelijksdag. vrouw op de dag van haar huwelijk en in de periode dat zij in ondertrouw is. Voorbeelden: Voor wat artistieker foto van een bruidspaar had hij in het Eindhovense Stadswandelpark de bruid, klassiek in het wit, op de leuning van een ijzeren brugje plaats laten nemen. A.F.Th. van der Heijden, De tandeloze...

Lees verder
2019
2022-09-29
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

bruid

bruid - Zelfstandignaamwoord 1. een vrouw die in het huwelijk treedt - Ze was een stralende bruid op die prachtige dag. Woordherkomst Vergelijk het Oudsaksische brud (jonge vrouw). Verwant met het Nederlandse bruien (slaan), verwant met bruden (tot vrouw nemen,...

Lees verder
2018
2022-09-29
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

bruid

bruid - zelfstandig naamwoord 1. vrouw die trouwt ♢ de bruid droeg een witte jurk Zelfstandig naamwoord: bruid de bruid de bruiden het bruidje

Lees verder
1990
2022-09-29
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

bruid

bruid - Vrouwen op het moment van hun huwelijk, of vlak voor of direct na het huwelijk.

1977
2022-09-29
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

bruid

bruid - 1°. In de verb. vuile bruid, een ontmaagd en zwanger meisje. Een yder lagi mijn uyt, Nu dat ik zit te kyken, Vast met mijn vuyle bruyd, Die by een ander is bevrugt. Daer ik onnozel bloedje, Meenigmael om zugt, DE VOS, Kleyn Jans Konkelpotje 16 [1714]-2°. In de vefb. een zoet bruidje spelen, copuleren. Daar zullen wij te zaam' z...

Lees verder
1973
2022-09-29
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Bruid

v. (-en), 1. meisje of vrouw die in ondertrouw is (ook nog tijdens de bruiloftsviering zo genoemd); zij is de bruid, in ondertrouw; het is een kranke bruid, gezegd van iets dat teer behandeld moet worden; met de bruid naar bed gaan, een onverwacht geluk krijgen dat eigenlijk voor een ander bestemd was; men kan wel dansen, al is het niet met de brui...

Lees verder
1955
2022-09-29
Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

BRUID

heet het meisje op haar bruiloftsdag, en later ook reeds in ondertrouw. In Israël was de vreugde van het bruiloftsfeest spreekwoordelijk. Daarom wordt de nieuwe heilstijd graag daarmee vergeleken (Matth. 9 : 15); onder invloed van de voorstelling van het Verbond als het huwelijk tussen Jahweh en zijn volk, heet het nieuwe Sion Gods bruid (Is....

Lees verder
1952
2022-09-29
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Bruid

s., breid.

1950
2022-09-29
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Bruid

I. v. (-en), 1. in ondertrouw opgenomen meisje of vrouw (ook nog tijdens de bruiloftsviering zo genoemd) : zij is de bruid, ondertrouwd; — (gemeenz.) een bruid op de trappen, wier huwelijk niet is voltrokken, ook eeuwige bruid genoemd ; — het is een kranke bruid, gezegd van iets dat teer behandeld moet worden ; — met de bruid naar...

Lees verder
1939
2022-09-29
Humoristisch woordenboek

Amusant-Zorgenverdrijvend Woordenboek (De Kolibri)

Bruid

Vrouw, die als maagd verschijnt.

1937
2022-09-29
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

bruid

v. bruiden (verloofde in ondertrouw of tijdens de bruiloft); de bruid des Heren, kloosterzuster.

1933
2022-09-29
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Bruid

Bruid - (Bruidje). De naam van bruid wordt door de H. Schrift gegeven aan de Kerk, en ook aan de Godminnende ziel. De Kerk gaf dien naam ook aan de aan God toegewijde maagden. Bruidje is een volksnaam voor meisjes, die haar eerste H. Communie doen; tevens voor die, welke, op gelijke wijze uitgedost, aan processies deelnemen, als strooistertjes van...

Lees verder
1930
2022-09-29
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

bruid

(bruit) v. (-en; -je) 1. ondertrouwd meisje: pronken, prijken als een -. Gez. der zee, Venetië; des Heren, geestelijke -, kloosterzuster; - en bruidegom aflezen, hun aanstaand huwelijk in de kerk bekendmaken; eeuwige -, meisje dat wel ondertrouwd, maar nooit getrouwd is. 2. Uitbr. vrouw die een gouden, koperen of zilveren bruiloft viert: goude...

Lees verder
1928
2022-09-29
Wat is dat?

Wat is dat? Encyclopedie voor jongeren (1938).

Bruid

Als je dat woordje hoort of leest, denk je alleen nog maar aan mooie en prettige dingen: statige ontvangdagen, feestjes van intiemeren aard en aan het slot het grote gebeuren van den trouwdag: de mooie auto’s met de bloemen er in en den geuniformden chauffeur — en als het heel deftig is — palfrenier voorin. Het mooie bruidje in de...

Lees verder
1898
2022-09-29
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Bruid

BRUID, v. (-en), in ondertrouw opgenomen meisje of vrouw (ook nog tijdens de bruiloftsviering zoo genoemd); — zij is de bruid, ondertrouwd; (gemeenz.) eene bruid op de trappen, wier huwelijk niet is voltrokken, ook eeuwige bruid; — het is eene kranke bruid, van iets gezegd, dat teer behandeld moet worden; — met de bruid naar bed...

Lees verder
1870
2022-09-29
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Bruid

Bruid noemt men de aanstaande gehuwde vrouw, te beginnen van den tijd, waarop zij met haar aanstaanden man, die alsdan bruidegom wordt, bij den burgerlijken stand als ondertrouwd is ingeschreven, tot aan het oogenblik der huwelijksvoltrekking door den ambtenaar van den burgerlijken stand. Bruidsjuffers zijn de speelnooten der bruid,di...

Lees verder
1864
2022-09-29
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Bruid

Bruid, v. (-en), verloofde; zij is de -, zij is verloofd, ondertrouwd; eene - des hemels, eene non.