2019-11-18

brok

brok - v./m./o. (-ken), 1. stuk, afgevallen, afgebroken vast deel van iets: een — steenkool; een — marmer; aan brokken vallen; brokken maken, de boel stuk maken; alles was aan stukken en brokken; (ook) op zichzelf staand, groot, onbehouwen stuk; met de brokken blijven zitten, met de gevolgen opgescheept zitten; (van onstoff. zaken) fragment, uitgelicht deel: een — van een gedicht; een — zeemansleven; in, aan, bij stukken en brokken, (fig.) ongeregeld, bij delen; minachten...

2019-11-18

brok

brok - Zelfstandignaamwoord 1. een blok met een grillige vorm, stuk van iets groters Na de sloop van het muur is alle puin afgevoerd, er is geen brok is achtergebleven. 2. een restant van een constructie Een brok van het neergestorte vliegtuig is in onze tuin gevallen. brok - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brokken ♢ Ik...

2019-11-18

brok

brok - zelfstandig naamwoord 1. wat kleiner is dan het totaal ♢ wil je een brok speculaas bij de koffie? 1. een brok in je keel hebben [ontroerd zijn] 2. brokken maken [iets kapot maken, een ongeluk veroorzaken] 3. met de brokken zitten

  • 2019-11-18

    Brok

    Brok is de held eener fraaije mythe in de Edda. Hij behoorde tot het geslacht der dwergen en ging eene weddingschap aan met Loke, dat de kunstgewrochten van zijn broe­der Sindri nog voortreffelijker zouden wezen dan de speer Gungner, het schip Skidbladner en het gouden hoofdhaar van Sif. Loka ver­klaarde, dat zulks onmogelijk was en ver­wedde daaronder zijn hoofd. Toen Sindri zich nu met ijver aan het werk begaf, en Brok zorgvuldig het vuur in de smid...

    2019-11-18

    brok

    zie melk, schijten, vallen.