Wat is de betekenis van Breken?

2020
2022-07-07
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

breken

(2007) (in de uitdrukking ‘op breken staan’) (politie) op het punt staan te bekennen. • (Onze Taal, mei 2007) • Hij zou alles vastleggen, naar de politie gaan – niet de plaatselijke politie, want daar werkte DJ's vader – en zou alle stukjes op hun plaats laten vallen. Hij wist dat hij een risico ......

Lees verder
2019
2022-07-07
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

breken

breken - Werkwoord 1. ergatief (algemeen) in stukken uiteenvallen De ruit is vanmiddag gebroken. 2. ergatief een doorgang, scheiding forceren 3. ergatief (van de jongensstem) wisselen In de puberteit breekt de jongensstem 4. ergatief (natuurkun...

Lees verder
2018
2022-07-07
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

breken

breken - onregelmatig werkwoord uitspraak: bre-ken 1. met kracht in twee of meer stukken verdelen ♢ zij heeft haar arm gebroken 2. in scherven of stukken vallen ♢ de vaas is gebroken ...

Lees verder
2010
2022-07-07
Wielerwoordenboek

Geschreven door Fons Leroy en Wim van Rooy

breken

breken: een coureur die breekt is de overtreffende trap van een renner die niet meer kan volgen, en soms voelt het dan aan alsof men stilstaat, alsof men parkeert.

2009
2022-07-07
Groot wielerwoordenboek

Geschreven door Marc De Coster

breken

(gezegd van het peloton) in twee of meer delen uiteenvallen. Kan soms gebeuren bij een zijwind, wanneer een waaier gevormd wordt. Toen het peloton brak, zat ik even te ver. Plots was er een kloof van honderd meter. (De Morgen, 08/07/2008) Gisteren verloor Rabobankkopman Denis Mentsjov er mogelijk de Tour. De Rus zat te ver van achteren toen het pe...

Lees verder
1998
2022-07-07
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

breken

(angl.; to break) Gunstig verdeeld zitten van een kleur voor de leider. Zie ook: lopen; rondzitten

Lees verder
1997
2022-07-07
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

breken

Van de hoogstfrequente woorden van het Nederlands is bekend dat zij vaak gebruikt worden om andere te definiëren, dat zij vaak dienen om afleidingen en samenstellingen te vormen en ook dat er veel vaste verbindingen mee gevormd worden. Dat geldt zonder beperking voor breken. Zo is er de hartstochtelijke verwensing breek je nek! Z...

Lees verder
1973
2022-07-07
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Breken

(brak, heeft en is gebroken), I. overg., iets dat een zekere mate van hardheid bezit met meer of minder geweld (met de handen, met een werktuig, door slaan, stoten enz.) in stukken vaneenscheiden. 1 . (met opzet) klein- of stukmaken, verbrijzelen, vernielen: speculaas in stukken breken; een fles, een stok breken; (zegsw.) men kan geen ijzer met ha...

Lees verder
1954
2022-07-07
Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Breken

Hiervan spreekt men bij jonge runderen (en soms andere jonge dieren) als deze tijdens hun ontwikkeling min of meer plotseling beginnen uit te zwaren, breder, dieper en massaler worden. Het b. wordt vaak bevorderd door drachtigheid.

1952
2022-07-07
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Breken

v., brekke, b r i e k, b r u t s e n; kapot, in stukken —, tobrekke; (van de lucht), trochskuorre; door onhandigheid —, knoffelje; met iem. — immen de hulde opsizze; een voor het —, ien foar de wraek.

Lees verder
1950
2022-07-07
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Breken

(brak, heeft en is gebroken), I. overg. : iets dat een zekere mate van hardheid bezit met meer of minder geweld (met de handen, met een werktuig, doorslaan, stoten enz.) in stukken vaneenscheiden, 1. (met opzet) klem- of stukmaken, verbrijzelen, vernielen: speculaas in stukken breken; een fles, een stok breken ; (spr. Zuidn.) het geld me...

Lees verder
1937
2022-07-07
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

breken

brak, h. (1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 11), i. (9, 10) gebroken (1 stuk maken; 2 hevig ontroeren; 3 lichamelijk of geestelijk te gronde richten; 4 te niet doen, verzwakken; 5 met geweld stuk maken en zich daardoor de toegang verschaffen; 6 schenden, inbreuk maken op; 7 een deel van een geheel met geweld scheiden of afzonderen; 8 stuiten; stremmen; store...

Lees verder
1933
2022-07-07
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Breken

Breken - (herald.) is het veranderen van het stamwapen door wijziging der kleuren of door weglating of wel toevoeging van een figuur. ➝ Heraldiek.

1926
2022-07-07
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Breken

I. Het brood. Daar het brood in het Oosten tamelijk hard en dun is, zoo wordt het niet gesneden maar gebroken, als het verdeeld wordt. Vandaar beteekent broodbreken zooveel als brood uitdeelen, in ’t algemeen: spijze toereiken (Jes. 58 : 7; vgl. Ezech. 18 : 7; Klaagl. 4 : 4; Matth. 14 : 19; 15 : 36; Marc. 6 : 41 ; 8 : 6, 19; Luc. 9 : 16; 24...

Lees verder
1898
2022-07-07
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Breken

BREKEN, (brak, heeft en is gebroken), met opzet stuk maken, vernielen: de ruit breken; eene flesch, een stok breken; een stoel breken; — (spr. Zuidn.) het geld met hamers breken, moedwillig veel geld verteren, geld stuk slaan; — (spr.) men kan geen ijzer met handen breken, men kan het onmogelijke niet doen; — hij is altijd aan h...

Lees verder
1573
2022-07-07
Etymologicum 1573

Kiliaans Etymologicum Teutonicae Linguae

Breken

Frangere, rumpere, quassare, diffringere, destruere.

Lees verder