Branden
(brandde, heeft gebrand), I. onoverg., 1. in vuur en vlammen staan, door vuur verteerd worden: spanen branden met een heldere vlam; dat brandt als olie, als een lier, brandt zeer fel; het vuur begint te branden; — (fig.) het vuurtje aan het branden maken, de twist aanstoken, de bewerker zijn van de onenigheid; — ...