Wat is de betekenis van bouwsel?

2019
2021-01-20
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

bouwsel

bouwsel - Zelfstandignaamwoord 1. (schertsend) iets wat gebouwd is maar niet heel nuttig of degelijk is „We hebben een stuk grond van 10 bij 18 meter, met daarop een blokhut van 3 bij 4. Eigenlijk is het best zonde dat al die eilanden volgebouwd raken, met bouwsels in alle kleuren van de regenboog. M...

Lees verder
2018
2021-01-20
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

bouwsel

bouwsel - zelfstandig naamwoord uitspraak: bouw-sel 1. minachtende benaming voor bouwwerk of gebouw ♢ het bouwsel dat Marijn maakte zakte na drie dagen in elkaar Zelfstandig naamwoord: bouw-sel het bouwsel ...

Lees verder
1973
2021-01-20
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

bouwsel

bouwsel - o. (-s), (meestal minachtend) gebouw, dat gebouwd is; ook fig.

1950
2021-01-20
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Bouwsel

o. (-s), (meestal minachtend) gebouw, wat gebouwd is, ook fig.

1898
2021-01-20
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Bouwsel

BOUWSEL, o. (-s), (minachtend) gebouw, wat gebouwd is.