Wat is de betekenis van boomklever?

2020
2023-01-30
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

boomklever

zangvogel. zangvogeltje met een blauwgrijze bovenzijde, een bleekgele onderzijde met roodbruine flanken en een brede zwarte oogstreep dat zich schoksgewijs omhoog en omlaag beweegt langs een boomstam en dat in Nederland en België vrij algemeen voorkomt. In het meervoud ook in toepassing op een familie van vogels die langs de bomen kl...

Lees verder
2019
2023-01-30
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

boomklever

boomklever - Zelfstandignaamwoord 1. (vogels) Sitta europaea, een klein zangvogeltje met een blauwe rugzijde en een oranjegele buikzijde dat bij het zoeken naar voedsel in de schorsspleten in de boomstam op en neer kan klimmen Woordherkomst samenstelling van boom en klever

Lees verder
2009
2023-01-30
Vogelgids van Vogelbescherming Nederland

Vogelbescherming Nederland

Boomklever

Boomklevers lopen zowel omhoog als omlaag over een boomstam, vandaar z'n naam. Het zijn holenbroeders die erom bekend staan de opening van hun broedholte te verkleinen door te 'metselen' met modder. Deze metseldrang is vaak zo sterk, dat ook wanneer het gat al de juiste grootte heeft, er in de omgeving toch nog een metselwerk gemaakt wordt. Gelu...

Lees verder
2004
2023-01-30
vogelnamen

Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen

Boomklever

Sitta europaea Linnaeus 1758. In de Lage Landen tamelijk bekende vogel van plaatsen met zwaar geboomte, waar hij broedt in holten in het hout. De vogel kan zich als het nodig is benedenwaarts langs boomstammen verplaatsen zonder de vleugels te gebruiken, zich daarbij met de poten aan de schors vasthoudend. Het lijkt er daarbij op, alsof de vogel aa...

Lees verder
1982
2023-01-30
Encyclopedie van Zeeland

Alles over Zeeland

BOOMKLEVER

(Sitta europaéa). Kleine vogel met blauwgrijze bovenzijde, oranjebruine buik, witte keel en donkere oogstreep. Bewoont vooral oude bossen en heeft de typische gewoonte tegen de stammen op en neer te klimmen, zonder de staart als steun te gebruiken. Luidruchtig. Van deze soort is slechts één mogelijk broedgeval bekend in...

Lees verder
1952
2023-01-30
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Boomklever

s., beambikker, blauspjucht.

1950
2023-01-30
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Boomklever

v. (-s), kleine soort van klimvogel (Sitta caesia), ook brabandertje, blauwspecht en spechtmees geheten.

1937
2023-01-30
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

boomklever

m. boomklevers (blauwspecht; Lat. sitta europaea caesia).

1933
2023-01-30
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Boomklever

Boomklever - zie Blauwspecht.

1930
2023-01-30
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

boomklever

m. (-s) [Mned. cleven. klimmen] langs de bomen klimmende, van boven blauwgrauwe vogel, ter grootte van een mus, maar met kortere staart (Sitta caesia).

1916
2023-01-30
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Boomklever

Boomklever (Sitta caesia), een zangvogeltje, maar geen goede zanger; kleur boven grijsblauw, onder geel tot roestbruin; staart kort. Leeft van Jutland tot in Z.-Europa, eveneens in Azië en Japan. Broedt ook in ons land en is bij ons standvogel. Nestelt in holle boomen, is een zeer behendig klimmer met den kop omlaag. Voedt zich met allerlei insecte...

Lees verder
1898
2023-01-30
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Boomklever

BOOMKLEVER. m. (-s), kleine soort van klimvogel (sitta caesia), ook brabandertje, blauwspecht en spechtmees geheeten; ...KLIMMER, m. (-s), (Ind.) schertsende benaming voor lieden van gemengd bloed.

Lees verder