2019-11-21

boodschap

Communicatie-inhoud die de zender aan de ontvanger wil overbrengen.

2019-11-21

Boodschap

Een boodschap is een communicatie-inhoud die de zender aan de ontvanger wil overbrengen.

2019-11-21

Boodschap

De blijde boodschap (ook met een of twee hoofdletters geschreven), het evangelie; bij uitbreiding, soms in ironie, ook gezegd van ander goed nieuws. Blijde boodschap is de letterlijke vertaling, via Latijn euangelium, van het Grieks euagellion, dat wij ook rechtstreeks als evangelie overgenomen hebben en dat verwijst naar het nieuws van de komst van Christus (zie ook Evangelie). Pas in jongere bijbelvertalingen (maar niet in de NBV) komt de verbinding voor in deze betekenis, maar zij wordt in de...

2019-11-21

boodschap

boodschap - Zelfstandignaamwoord 1. overgebracht bericht Hartverscheurend en zielsnijdend is ‘Vurdular Bizi’, vertaald als They Shot Us. Het nummer opent met een geluidsfragment van de vredesdemonstratie van 10 oktober 2015 in Ankara. De menigte zingt een vredelievende boodschap die wordt overstemd door explosies die 102 mensen het leven zouden kosten. 2. vooral mv. inkopen van met name levensmiddelen

2019-11-21

Boodschap

Boodschap - reclameboodschap op radio of televisie. Ischa Meijer voor, tijdens en na zijn talkshow I.S.C.H.A.: ‘Mijn programma voor u.’ ‘Wilt u kijken, alstublieft?’ ‘Na de broodnodige boodschappen ben ik weer terug.’ HP/De Tijd, 26-11-93

2019-11-21

Boodschap

een kleine - doen wateren. Een grote boodschap doen is ‘zijn behoefte doen’. Deze eufemistische, vaak ook schertsende, uitdr. worden voornamelijk gebruikt in de omgang met kinderen. In het plantsoentje zat een satanische kabouter met zijn duim te wijzen dat hij de weg wist, maar meer dan ‘een kleine boodschap’ wilde hij niet zeggen. (Yvonne Kroonenberg: Volmaakte benen, 1988)

2019-11-21

boodschap

boodschap - zelfstandig naamwoord uitspraak: bood-schap 1. mondelinge of schriftelijke informatie ♢ ik heb een boodschap voor je van Jan 1. daar heb ik geen boodschap aan [daar heb ik niets mee te maken] 2. een grote of kleine boodschap [poepen of plassen]

2019-11-21

boodschap

Een kleine (grote) boodschap doen, nette uitdrukking voor pissen of poepen; zijn gevoeg doen. Vooral als kindertaal. Boodschap is hier het voorwendsel om zich te verwijderen. Het WNT citeert Arend Fokke Simonszoon (‘Boertige Reis door Europa’. 3de druk, 1826-1827). De uitdrukking wordt ook vermeld door Stoett. Kijk ook onder kleintje*. Vgl. Engels ‘to do a number one’ (voor een kleine boodschap) en ‘a number two’ (voor een grote boodschap). Frans: ‘faire une commission; faire ses...

2019-11-21

Boodschap

BOODSCHAP, v. (-pen), het overbrengen van tijdingen, verzoeken enz. op last en ten behoeve van anderen, waarvoor men zich ergens heen moet begeven eene lastige boodschap; boodschappen doen, verrichten; — het doen van kleine inkoopen boodschappen loopen, rijden, daavoor rondloopen, rondrijden; iem. om eene boodschap uitsturen; om eene boodschap gaan; — daar is de kruidenier met de boodschappen, met de bestelde waren; — eene blauwe, looze boodschap, voorwendsel om iem. te verwijderen of zelf...

2019-11-21

Boodschap

Boodschap, mededeeling van het staatshoofd aan de volksvertegenwoordiging. Zoo worden volgers art. 110 Grw. wetsvoorstellen bij Kon. boodschap aan de Tweede Kamer gezonden. In de Ver. St. van N. Amerika zet de President meermalen in b. aan het Congres zijne politieke zienswijze uiteen.

2019-11-21

boodschap

boodschap - v. (-pen), 1. het overbrengen van een tijding, verzoek enz. op last en ten behoeve van anderen; opdracht waarvoor men zich ergens heen moet begeven: iemand met een — belasten; een lastige —; 2. opdracht aan een ondergeschikte om iets over te brengen, te halen of te bestellen: boodschappen lopen, rijden, daarvoor rondlopen, rondrijden; iemand om een — uitsturen; om een — gaan; oneig. ook van dergelijke verrichtingen die men zelf doet: boodschappen gaan doen, n...