Bonnet
v. (-ten). 1. kap, muts van zachte stof, zonder stijve rand; in ’t bijz. drie- of vierpuntig hoofddeksel van katholieke geestelijken. 2. (zeew.) verlenging van een gaffelzeil langs het onderlijk om het te vergroten en meer wind te doen vangen, broodwinner; 3. (vestingb.) gedeeltelijke verhoging ener borstwering, gewoonlijk in de uitspringende...